Jelle – kijkt rond in een plaggenhut

Ooit was ik in een vluchtelingenkamp in de buurt van Ramallah. Ik was er met een uitwisseling van journalistiek-studenten en we brachten een paar dagen door in Jeruzalem, waar wij praatten met Israëlische studenten, die de Palestijnen nazi’s noemden en in Ramallah, waar wij praatten met Palestijnse studenten, die zeiden dat zij in concentratiekampen woonden. Voor zover de genuanceerde journalistiek.

De omstandigheden in het vluchtelingenkamp waren beroerd, wat ook niet zo gek is want het staat er al sinds 1948. Dat vond ik raar. Die Saudi’s schonken miljoenen aan de Palestijnen voor moskeeën, dan konden ze toch zeker ook wat huizen neerzetten? ‘Zodra wij hier een huis bouwen, laten we aan de Israëli’s zien dat wij niet meer van plan zijn terug te keren. Dat nooit,’ was kort gezegd het antwoord. En wordt nu dus de derde generatie kinderen geboren die nooit hun thuisland hebben gezien.

Ik moest aan Ramallah denken in het dorp Sheklashifer, in het zuiden van Ethiopië. Iedereen in dit dorp werkt mee aan de productie van de borden waar de injera op wordt gebakken, de Ethiopische pannenkoek die bij elke maaltijd wordt geserveerd. Elke dag hakken zij klei uit de grond, verslepen het met twee gammele ezels naar hun dorp en boetseren er reusachtige borden van. Niet omdat iedereen het nou leuk vindt om te doen, maar omdat zij allemaal Waleyta zijn, een minderheid in het zuiden van Ethiopië, waar door andere volkeren op neer wordt gekeken. Niemand anders wil injeraborden bakken: het werk is zwaar en levert weinig op. De enige activiteit met een grote winstmarge, de verkoop van de injeraborden op de markt, is in handen van de dominante Sidama.

De meeste Waleyta leefden in simpele plaggenhutten, waar zij op de grond slapen, omringd door injeraborden die te drogen hangen. Op de veranda van het enige huis in het dorp zat een jongen van een jaar of tien een injerabord te boetseren. Trots kwam de vader naar buiten, die zich voorstelde als Zenebe Mendedu en vertelde dat zijn zoon al sinds zijn zesde borden maakt. Geld voor school is er niet; alle schamele opbrengst van de borden ging naar de bouw van het huis. Ik vroeg hem waarom hij als enige in het dorp een huis had. ‘Iedereen denkt dat dit tijdelijk werk is, en dat ze vroeg of laat wel kunnen vertrekken uit dit dorp. Ik denk het niet. Daarom heb ik dit huis gebouwd. Voor mijzelf, en voor mijn kinderen. En hun toekomstige kinderen ook denk ik,’ antwoordde Mendedu, wijzend naar zijn met klei besmeurde zoontje die met geroutineerde bewegingen begon aan een nieuw injerabord.

Reageren