Jelle Brandt Corstius – moet snel improviseren

Zijn naam was Patel en kwam uit India. Nou ja: zijn naam was helemaal niet Patel, en er zijn misschien nog een miljoen Indiërs met zijn naam, maar ik heb hem al een keer in de problemen gebracht dus noem ik hem gewoon Patel. Ik ontmoette Patel in Ku Da Ta, een schitterende club op Bali, direct gelegen aan een van de mooiste stukken strand van het eiland. Na een week afzien op de Molukken vond ik dat ik dat wel had verdiend.

Die middag hadden op datzelfde strand een groep Balinezen in traditionele kleding verzameld en hadden zich neergevleid tussen zonnenbadende westerse toeristen die verbaasd opkeken. Een oudere Balinees vertelde dat het een genezings-ceremonie was en nodigde mij, met een blik op mijn corset, uit om erbij te komen zitten. Er werd veel met belletjes gerinkeld en op een bepaald moment haalde een priester een natte kwast over mijn voorhoofd.

Mijn rug had in ieder geval een goede avond, wat ik zat al enige tijd zonder veel pijn met de Indiër te praten op een ongemakkelijk zittende loungebank. Met Patel keek ik uit over de restanten van offerschaaltjes gemaakt van kokosbladeren. Honden woelden erdoorheen, verlicht door een glorieuze zonsondergang. Patel vertelde dat het hindoeïsme op Bali compleet anders was dan in India, maar hij voelde zich hier als thuis. Bali was voor hem een soort ontsnappingsoord van Jakarta, waar hij werkte bij een groot Indiaas bedrijf. Wij praatten over India als nieuwe supermacht en ceremonies en kolonialisme. Gevleid aan de zijde van Patel zat een jong en knap meisje dat zowel Indiaas als Balinees had kunnen zijn. Patel introduceerde haar niet, en ze bleef dromerig naar de zee kijken, dus nam ik niet de moeite haar aan te spreken. Misschien was ze wel bezig met een soort van privé-ceremonie.

De volgende dag, op zoek naar baby batikkleertjes in een winkelcentrum, zat Patel op de trap voor de ingang. Toen ik hem groette keek hij verward en vroeg „ Kennen wij elkaar?“ Toen pas drong het tot mij door wie er nog meer op het trappetje zaten: een opa, een oma, twee kinderen en een vrouw in traditioneel Indiaas gewaad. De vrouw keek mij nu ook vragend aan. Ik zei: „Sorry, ik vergis mij. U heeft een dubbelganger rondlopen op dit eiland.“ De familie moest hard lachen. Toen ik de trap op liep zag ik uit mijn ooghoek dat zijn vrouw een arm om Patel sloeg.

Reageren