De deken

Ik zag haar gelijk staan. Ze had indringende grijze ogen en stond met een groepje andere zigeuners in de voor de rest verlaten stationshal van Sittard. Ik moet zeggen: ik was niet op mijn scherpst, en dieven zien dat misschien wel. Zoals ik een doctoraal in de geschiedenis heb, hebben zij een doctoraal in de diefstalkunst.

Ik was die ochtend met de fiets vertrokken uit Spa, en was nat en moe na honderd mooie maar zware kilometers over heuvels en door de regen. Ik kocht een kaartje voor mijn fiets terwijl de zigeuners bij de automaat rondhingen. Voor de zekerheid zette ik mijn fiets op slot toen ik bij de Albert Heijn nog een overgebleven oude gevulde koek kocht.

In de rij voor de kassa voelde ik mij schuldig over mijn vooroordelen. Maar de twee keer in mijn leven dat ik was beroofd waren het zigeuners. Een keer in een bus in Rome, en een keer in St. Petersburg, toen een groepje zigeuners de deur van de metro dichthield waardoor er een verstopping ontstond. Hun handlangers maakten gebruik van de verwarring om iedereen te bestelen, ik zag het voor mijn neus gebeuren. Mijn tante was haar twintig ansichtkaarten kwijt die zij naar Nederland wilde sturen, geen idee wat ze daarmee aan moesten. Gewoon maar pakken wat je pakken kon, zal de gedachte zijn geweest.

Met fiets en koek stond ik bij de lift naar het perron. Het meisje ging met een vriendin ook bij de lift staan. Toen we allemaal in de lift stonden vroeg ik hen, op mijn hoede, waarom zij niet gewoon de trap namen. Het meisje met de grijze ogen wees naar haar dikke buik, die verstopt zat onder een gezellige wollen deken. ‘Zwanger,’ zei ze met een onbestemd maar zwaar accent. Ik glimlachte en keek gegeneerd weg. Waarom was mij dat niet eerder opgevallen? Waarom ging ik altijd toch maar uit van het slechtste van de mens? Natuurlijk nam zij de lift! In Oost-Europa hoor je als zwangere vrouw* de trap helemaal niet te nemen! Voor je het weet struikel je!

Ik fantaseerde over een obscuur Moldavisch dorpje, waar haar oma, zodra ze hoorde dat haar kleindochter een kind kreeg, aan het werk was gegaan. Eerst had zij garen gespind van de wol van het schaap op het erf, en daarna had zij een warme deken gehaakt om het ongeboren kind te beschermen tegen de guurte van de Nederlandse herfst.

Terwijl de lift langzaam omhoog ging dacht ik gekrabbel aan mijn rug te voelen. Precies op het plekje waar ik mijn bankpas en ov-card bewaarde: in een vakje op de rug van mijn fietsshirt. Een nogal strak vakje, die ook nog eens werd bedekt met een klamme trui, nat van zweet en regen. Maar dit waren dames van de dievenacademie: op het perron aangekomen voelde ik mijn pasjes niet meer zitten. Ik ging achter het zwangere meisje aan, zei haar dat ze mijn pasjes terug moest geven, en vroeg waar haar vriendin was. Ze haalde haar schouders op en liep weg. Als dit een jongen van achttien was geweest had ik hem vastgepakt en moord en brand geschreeuwd, maar de gedachte om een zwangere vrouw bij de lurven te grijpen vond ik absurd.

Samen met de politie van Sittard struinde ik de perrons af, maar de groep zigeuners was natuurlijk al spoorloos. Ik vroeg mij af wat ze in vredesnaam met mijn inmiddels geblokkeerde bankpas en chipkaart aan moesten. ‘Ze pakken gewoon wat ze pakken kunnen,’ zei de agent.

In de trein – de conducteur had mij en mijn fiets een soort laissez-passer gegeven – vroeg ik mij af waarom ik niet eerder had gezien dat ze zwanger was. Ik denk dat je zwangere vrouwen niet zozeer herkent door de dikke buik, maar door de gloed op hun gezicht, en een soort vredige blik, als van een yogi die na tachtig jaar op één been te staan verlicht is geraakt. Die blik had dat meisje helemaal niet. Omdat ze onder dat deken natuurlijk een kussen had zitten. En de deken was helemaal niet gebreid door haar oma, maar kwam gewoon van de V&D. Gejat.

 

 

 

 

* soort van pleonasme eigenlijk, maar dan waar het bijvoeglijk naamwoord het zelfstandig naamwoord overbodig maakt. Maar ‘de zwangere’ is ook weer zo raar.

Artyom

Ik loop voor het Van Gogh-museum. Een toerist vraagt of ik zijn zes euro parkeergeld kan pinnen, contant doet de machine niet aan. Ik pin zijn parkeergeld, hij wil mij tien euro geven, maar ik heb geen wisselgeld. Hij wil mij alsnog de tien euro geven. Ik stel hem voor van het wisselgeld twee espresso’s te drinken in een koffietentje op het Museumplein. Tijdens de espresso vraag ik hem naar zijn Russische accent, en hij schakelt over van gebroken Engels in een grappig soort Russisch. Hij blijkt Artyom te heten, twintig jaar oud. Zijn ouders zijn net als miljoenen andere Russische joden naar Israel geëmigreerd in de jaren negentig. Hij is nu op verlof van het Israëlische leger en vloog speciaal naar Nederland om het Van Gogh te bezoeken. De afgelopen weken vocht hij in Gaza.

Hij wordt emotioneel, zijn Russisch begint nog meer te rammelen. Hij begrijpt niet dat Israëlische soldaten in het Westen worden afgeschilderd als monsters. Tijdens de inval is zijn 24-jarige vriend doodgeschoten door een scherpschutter die in een schoolgebouw zat. Het gebouw was niet gebombardeerd omdat er kinderen in zouden zitten. Hij vertelt over Palestijnse kinderen die Hamas in de schouder schiet en vervolgens voor de camera trekken. Hij lijkt blij dat hij eindelijk zijn verhaal kan doen. Als de koffie op is sluit hij aan in de rij van het museum. ‘Ik droom al weken over Van Goghs Zonnebloemen.’ En, bij het afscheid: ‘Zou je mijn verhaal aan zoveel mogelijk mensen kunnen vertellen? Het maakt mij niet uit of ze het met mij eens zijn, zolang ze het maar eens horen.’ Bij deze Artyom.