Jelle – levert geen blurbs

Zo, het boek is bijna af. Ik dacht dat ik het tussen de bedrijven in India wel af zou kunnen schrijven, maar in India sluiten de bedrijven naadloos op elkaar aan, zonder pauzes. Dus moet ik er nog even aan werken in Nederland. Ik zal mij afzonderen in de verlaten leeszaal van een groot instituut in Amsterdam-Oost waar heb ik ook de hele Zomergasten-periode zat te werken. De naam verklap ik liever niet. De zaal is meestal halfleeg, en dat houd ik graag zo. De tijd staat hier stil: in de hoek van de zaal zit altijd dezelfde man met een stapel kranten en een antieke laptop waar WordPerfect 5.1 op draait.

Ik ben bang dat mijn uitgeverij zal vragen of ik wat mensen kan benaderen voor een blurb voor mijn nieuwe boek. De blurb is een quote waarin het boek wordt aangeprezen met enkele wervende woorden. Meestal staan blurbs op de achterflap, soms pontificaal voorop het boek. Sinds ik met mijn hoofd op televisie verschijn begrijp ik dat er een hele industrie achter de blurbs zit.

Ten eerste zijn er de blurbs van de literaire recensenten. Vaak zijn die quotes een beetje misleidend. Op het boek staat bijvoorbeeld ‘Een uitstekend boek’. Terwijl de recensent schreef : ‘een uitstekend boek om je kont mee af te vegen’. Ten tweede zijn er de blurbs van ‘bekende mensen’. Ik krijg elke week wel een boek opgestuurd, met het vriendelijke verzoek of ik er iets positiefs over wil schrijven. Vaak zijn het romans die afspelen in Rusland. Meestal zijn ze niet goed. Een keer kreeg ik een verzoek iets vriendelijks te schrijven over een boek dat Sneeuwklokje of Sneeuwvlokje heette. ‘Omdat jij ook wel eens iets over sneeuwklokjes hebt geschreven,’ was de motivatie. Het is niet moeilijk om hier nee op te zeggen.

Meer moeite heb ik met vrienden of vage kennissen die mij om een blurb vragen. Elke Nederlander heeft intussen wel een boek geschreven, of is met een boek bezig (er schijnt een vrouw in Scheemda te wonen die vooralsnog geen plannen heeft). Daar zitten vroeg of laat dus ook bekenden van mij tussen. Maar wat doe je in vredesnaam met een boek waarvan de eerste zin luidt: ‘Ze streelde haar weelderige haar, als een appelboom in bloesem’. Soms hoef ik de eerste zin niet eens te lezen. ‘Bijgevoegd is het manuscript over Nazi’s die uit de toekomst komen.’ Ik kan vrienden en vage kennissen een plezier doen met een wervende quote, maar dat is niet per se goed voor mijzelf. Dus zeg ik nee. En zal ik ook niemand voor het blok zetten door een quote vragen voor mijn Universele Reisgids voor Moeilijke Landen. Een blurbloos boek.

 

Jelle – plakt sterren

Ik heb niks met Valentijnsdag, maar om de een of andere reden gebeurt er juist op die dag altijd wat. Toen ik achttien was en een jaar in Amerika studeerde viel mijn oog op ene Leah. Ze leek een beetje op prinses Leah uit Star Wars. Zij wilde wel iets met mij afspreken, maar alleen als ik haar uitnodigde op Valentijnsdag. Op dat moment leek mij het toppunt van romantiek: een sterrenhemel van glow in the dark sterren op het plafond van mijn kamertje. Ik vond het belangrijk dat de sterren precies op de plek stonden zoals zij in de hemel staan. Alsof Leah dat op zou merken. Een week lang besteedde ik aan het meten en zetten van puntjes waar de sterren moesten komen. Daarna plakte ik op de puntjes de glow in the dark sterren, vijfhonderd in totaal.

Dit kon niet meer misgaan, dacht ik. Mijn kamergenoot had ik geïnstrueerd die nacht weg te blijven. Ik zat met Leah op de bank, en net op het moment dat ik het licht uit wilde doen kwam mijn kamergenoot binnen. Hij was moe en ging naar bed. Terwijl hij voor ons stond en tegen ons praatte trok hij op een buitengewoon afstotelijke manier zijn sokken uit, zoals elke avond deed: hij schraapte met z’n smerige witte sokken over het tapijt tot ze uit waren. Daarna riep hij ‘trek je maar niks aan van mij’, klom zijn hoogslaper in en floepte het licht uit. Ik geloof dat Leah bij het weglopen mijn sterrenhemel niet eens heeft opgemerkt.

Een paar jaar later had ik meer geluk. Toen ontmoette ik op Valentijnsdag een Palestijns meisje in een hotel in Oost-Jeruzalem. Zij woonde in het hotel, ze volgde een opleiding voor verpleegster. Wij zoenden in de grot waar Jezus doodging. Of naar de hemel ging, dat weet ik niet meer precies, ik had wel wat anders aan mijn hoofd. Exact een jaar later, belde ze mij op in Amsterdam. Wanneer we gingen trouwen, was de vraag. In al mijn lafheid vertelde ik haar dat de lijn slecht was en haar terug zou bellen. Dat heb ik nooit gedaan. Op andere Valentijnsdagen volgden een Tsjetsjeense, een Zweedse en nog een Amerikaanse.

Nu komt Valentijnsdag er weer aan, en mijn halve vriendenkring is nog steeds vrijgezel, net als half Amsterdam. Dus mijn voorstel is: laten wij Valentijnsdag in al zijn belachelijkheid in ere herstellen! Stuur een kaartje naar die collega die elke dag naar je zit te lonken. Knip dit stukje uit, en schuif hem onder de deur van die leuke buurman. Als je nog niemand op het oog hebt: ga de stad in, ook als je dat al honderd jaar niet hebt gedaan. Giet je vol, ga desnoods nog door naar Mazzeltof of San Francisco of een ander hopeloos nachtcafé bij u in de buurt, maar zorg dat je met iemand thuiskomt. Want Valentijnsdag brengt geluk. Tenzij je huisgenoot binnen komt lopen natuurlijk.

Jelle – zet een muts op

Nederlanders kunnen goed tegen de wind. Pas als je veel reist krijg je door hoe vaak en hard het in Nederland waait. En hoe bijzonder het is dat wij in Amsterdam op de fiets tegen een keiharde wind infietsen, en weigeren af te stappen, terwijl de fiets zo langzaam gaat dat hij elk moment om kan vallen. Regen, daar kunnen we ook goed tegen. Dagenlange miezerregen, die alle dagen van het jaar mogelijk is. En dan gewoon met de kinderen in de bakfiets met een zeiltje eroverheen.

Kou, dat is een ander verhaal. Dat komt omdat het niet zo vaak (meer) koud is in Nederland. We zijn vergeten hoe we ons moeten gedragen. Zo zie ik veel mensen over straat lopen zonder muts, terwijl het vijf graden vriest. Toen ik eens in Moskou op straat zonder muts liep, sommeerde een omaatje mij gelijk naar huis te gaan en er eentje op te zetten. De meeste warmte verdwijnt via je hoofd, dus die Russen hebben wel een punt.

Een andere keer toen ik zonder muts liep, het vroor 16 graden en ik was geen omaatje tegengekomen, raakte ik in de war. Ik werd duizelig en wist niet meer waar ik was. Ik dook het dichtstbijzijnde gebouw in voor wat warmte. De dames van de lingeriewinkel keken mij vreemd aan, maar dat kon mij op dat moment niets schelen. De obsessie met mutsen gaat vrij ver: zo zetten Russen tot ver in de lente hun kinderen een muts op. Op een warme dag in mei zag ik eens een matroos een vijver in springen, terwijl een peuter met een muts toekeek. Vrouwen zitten in de winter nooit op bankjes, want dan ben je onmiddellijk onvruchtbaar. Wel kan je op een bankje zitten met een krantje, want zoals iedereen weet houdt een vel papier alle kou tegen.

Ik begrijp die obsessie met kou wel; elk jaar sterven honderden Russen door de kou, meestal zwervers en alcoholisten. Ze vriezen dood en sommigen verdwijnen dan in de sneeuw die vervolgens maandenlang op hen neerdaalt. In april, als het snel begint te dooien, komen al deze lichamen die zich sinds november hebben opgestapeld in een keer tevoorschijn. Moskovieten noemen hen ‘sneeuwklokjes’. Er zijn zelfs speciale sneeuwklokjesbrigades die door de straten patrouilleren op zoek naar lichamen. Kleed u dus warm aan! Ik wil uw lichaam dit voorjaar niet tegenkomen, in gympies en zonder muts.

 

 

 

Jelle gaat niet naar de reünie

Er komt weer een schoolreünie aan. Toevallig was ik bij andere reünies niet in Nederland, dus had ik een goed excuus om niet te gaan. Nu moet ik er voor het eerst over nadenken. Sinds 1996, toen ik met de hakken over de sloot mijn gymnasium-diploma haalde ben ik niet meer op school geweest. In mijn geval is dat het Amsterdams Lyceum. In mijn tijd was dat nog een school van mavo, havo en vwo. Het was een nogal rauwe school, zo werd er af en toe met stenen gegooid bij het van Heutz-monument. Waar het over ging weet ik niet meer, het zullen wel gewoon hormonen zijn geweest. Na mijn schooltijd werden er metaalpoortjes geplaatst. Daarna werden de mavo en de havo afgeschaft, ook een manier om problemen op te lossen.

Ik heb hele goede herinneringen aan het Amsterdams. Veel van de leraren waren niet doorsnee, om het zachtjes uit te drukken. Mijn Duits-leraar, meneer Nijland, gaf altijd een 10 of een 1 voor proefwerken. Als je een 1 haalde moest je het opnieuw doen. Ik schrijf meneer Nijland, omdat ik niet zou weten wat zijn voornaam was, die gebruikte je natuurlijk niet. Nijland gaf ook filosofie. Bij de eerste les kregen wij opdracht de bijbel te lezen ‘want je moet je vijand goed kennen.’ Nederlands kreeg ik van meneer Roeper. Hij droeg gewoonlijk een korte broek met een Ajax-sjaal, sigaret in de hand. Dat het er chaotisch aan toeging in de klas kon hem niets schelen, zolang je maar goed kon schrijven.

Voor mijn gevoel zaten wij de helft van de tijd in de kantine te hartenjagen vanwege een tussenuur of een zieke leraar. één jongen speelde vaak vals, ook toen iedereen het doorhad. Als ik hem vroeg op te staan had hij altijd extra kaarten onder zijn kont liggen. Het meest wonderlijke vond ik nog wel dat hij zich nooit schaamde voor zijn vals spelen. Nu zijn we 16 jaar verder. Sommigen zijn advocaat, economen en muziekfilosofen geworden. Vaders en moeders. De valsspeler is nu internist. Een aantal hebben een halve studie gedaan en zie ik af en toe rondscharrelen op het Waterlooplein. Het stilste meisje van de klas nam een ander pad: kort na onze diploma-uitreiking vermoordde zij haar vader en stiefmoeder. Met bijlen, geïnspireerd door de gebroeders Karamazov.

Altijd als ik langs het Amsterdams fiets moet ik denken aan deze mensen, maar ik denk ook: ik hoor hier niet thuis. Het is alsof je door je verleden fietst. Alsof je niet vooruit kan als je op deze plek blijft hangen. Het was een mooie tijd, maar die is nu afgesloten. Goed, ik ben eruit, ik ga niet naar die reünie. Al zou ik graag nog eens met het stille meisje willen praten. Maar iets in mij zegt dat zij niet op de reünie zal zijn.

 

 

Jelle – denkt aan Gekke Witte

Onlangs las ik een stukje van de Ladies Home Journal uit 1911. Zij voorspelden hoe de wereld er hover honderd jaar uit zou zien. Het waren knappe voorspellers: foto’s en geluiden per telegraaf, groenten in plantenkassen met lampen, centrale verwarming, airconditioning een trein die tweehonderd kilometer per uur gaat – het is ons allemaal gelukt. Het blad voorspelt ook dat de reistijd van Engeland naar Amerika in 2011 zal zijn teruggebracht naar 2 dagen. Dat is ruimschoots gelukt.

Slechts twee voorspellingen zijn niet uitgekomen: iedereen zou in in de toekomst ‘probleemloos 10 mijl moeten kunnen lopen’, waarom dat zou moeten wordt verder niet uitgelegd. Enfin, daar hebben we de auto voor uitgevonden. En: ‘Niemand heeft meer last van ratten en muizen.’ In de afgelopen honderd jaar hebben we iemand in de ruimte geschoten, en de atoombom ontwikkeld, maar de muizen zijn er nog steeds.

Toen ik in India was hoorde ik van mijn huisoppas dat ik weer muizen had. Ik vertelde het aan Indiase vrienden. Die konden zich niet voorstellen dat er in Nederland nog steeds een muizenprobleem zou zijn. Ik vertelde ze dat ik eens in een Amsterdams sushi-restaurant een muis had zien lopen. Niet in het hoekje van het restaurant, maar over de balie. Hij trippelde zo over het pin-apparaat. Muizen horen bij Amsterdam, net als gore duiven die te lui zijn om opzij te stappen voor een passerende fiets.

Mijn huisoppas wilde principieel niets tegen de muizen doen. Ik heb er minder moeite mee. Zodra ik thuis kwam verstopte ik muizengif achter de droger in de keuken. Zoals bekend gaan vergiftigde muisjes altijd stilletjes dood in hun holletje en merk je er dus weinig van. Dat dacht ik in ieder geval altijd. Tot ik op een avond tv zat te kijken en een muis zag zitten. Het licht was aan, en de muis zat pontificaal in het midden van de kamer. Ik moest denken aan het verhaal Gekke Witte van Anton Koolhaas, over een muis die het lef heeft om midden in de kamer aan het gewelf te hangen, tot razernij van de andere muizen. Ik besloot hem niet weg te jagen, eigenlijk was het wel gezellig. Toen ik even later weer terug keek was de muis er nog steeds, maar nu lag hij plat op de grond. Net als in het verhaal van Koolhaas was de muis dood. Het gif had zijn werk gedaan, niet in een holletje maar voor mijn ogen. Ik begreep mijn huisoppas ineens een stuk beter.

Jelle – praat met een vrek

Op de vlucht van Ahmedabad naar Goa zat ik naast een buitenlands meisje. Ze was goed gekleed, ik gokte dat ze een Française was. Ze bladerde zenuwachtig door het vliegtuigtijdschrift. Ze was duidelijk een knap meisje, maar om de een of andere reden vond ik haar niet aantrekkelijk. Ik vroeg haar iets onbenulligs over Goa, en we raakten in gesprek. Ze heette Céline en kwam inderdaad uit Frankrijk, al had ze gek genoeg geen Frans accent, eerder een Amerikaans accent. Ze ging naar een bruiloft in Goa, en kwam zojuist uit Rajahstan waar zij had rondgereisd. Kerstavond had ze doorgebracht in een waardeloos hotel met kakkerlakken en een gat in het plafond waardoor haar bovenbuurman naar beneden kon koekeloeren.

Door alle reisperikelen had Céline al een dag niks gegeten, maar het eten in ons vliegtuig vond ze te duur. De trolley kwam langs en ik bestelde wat eten voor mijzelf en een doosje pringles. Ik bood haar wat chips aan, en ze pakte de hele bus en at alles binnen de minuut schoon op. Ze vertelde verder over haar reis, voornamelijk over hoe veel alles had gekost en hoe ‘duur’ alles wel niet was in India. Dit werd een beetje saai. Om maar van onderwerp te veranderen vroeg ik haar wat voor werk ze deed.

Wat bleek: zij werkte als commodity trader bij een grote [bank] in Genève. Kinderen of een relatie had ze niet; dat zou ze nooit kunnen combineren met haar drukke baan zei ze beslist. Terwijl ze begon te zeuren over hoge huurprijzen in Genève bleef ik vriendelijk knikken op het juiste moment maar stopte met luisteren (een handige gave). Naast mij zat iemand die honderdduizenden euro’s per jaar verdiende, maar te gierig was voor een doosje Pringles. Maar misschien is dit wel precies hoe je rijk wordt. Gelukkig is een ander verhaal.

We moesten min of meer in dezelfde richting, dus deelden een taxi. In de taxi vertelde ze mij dat ze voor haar veertigste genoeg geld verdiend wilde hebben om de rest van haar leven te rentenieren. ‘Nog drie jaar te gaan,’ vertelde ze opgetogen terwijl wij stopten bij haar hotel waar de kakkerlakken op haar zaten te wachten. ‘En wat ga je daarna doen dan?,’ vroeg ik haar zogenaamd onschuldig. Eerst schrok ze van mijn vraag, toen riep ze kwaad iets in het Frans wat ik niet begreep. Ze stapte uit, smeet het portier dicht en liep het hotel in zonder om te kijken. Ik reed verder (uiteraard betaalde ik de hele rekening) en probeerde te bedenken wat haar zo razend had gemaakt. Waarschijnlijk wist zij het antwoord op mijn vraag zelf ook niet.