Jelle – zoekt de bananenbar

Er zijn plekken in Amsterdam waar alle toeristen wel zijn geweest, maar ik nog niet. Het Anne Frankhuis bijvoorbeeld. Het lijkt mij ontzettend interessant, maar om als Amsterdammer aan te sluiten in de rij toeristen voelt gewoon raar. Bovendien: dat Anne Frank-huis loopt niet weg natuurlijk. Datzelfde heb ik altijd gehad met de Bananenbar. Het leek mij een reuze interessante plek, maar om daar nou in je eentje heen te gaan is natuurlijk een beetje gek.

Gelukkig kreeg ik buitenlandse vrienden op bezoek die de Bananenbar wilden zien. We gingen naar de Wallen, waar wij laveerden tussen de massa’s laveloze Britten. Het viel mij op dat er geen mannetjes meer stonden die ‘coke’ fluisterden. Dat kan zijn omdat er minder gebruikt wordt, of omdat het makkelijker te krijgen is. Ik vrees het laatste. Laatst was ik in een bepaalde bar aan de Spuistraat waar een lange rij stond voor het herentoilet, maar het urinoir was vrij. Drie keer raden wat ze daar op de wc deden.

Enfin, de Bananenbar konden wij niet vinden dus liepen binnen bij een ‘Live Sex Show’. Het voorprogramma bestond uit een dame die een sigaret kon roken vanuit een bijzondere plek. Vervolgens dimde het licht, ging zij met haar benen omhoog in een soort omgekeerde spagaat en stak een kaars op in de bijzondere plek. Tenslotte sleepte zij een van de laveloze Britten het podium op, die zijn T-shirt uit moest trekken en op de grond moest gaan liggen. De dame vroeg naar de naam van zijn vriendin, stak een Edding in de bijzondere plek en schreef de naam van zijn vriendin op zijn torso. Gelukkig was de jongen te dronken om de rampzaligheid van de situatie te overzien.

Naast mij zat een Deen in onberispelijk pak met een attachékoffertje. Hij had een vergadering gehad op de Zuidas. Altijd als hij nog een paar uur te doden had voor zijn vlucht naar Kopenhagen ging hij naar deze tent, vertelde hij, en keek nuchter naar het podium, alsof hij eigenlijk nog op de vergadering was.

Vervolgens verschenen een man en een vrouw in een priestergewaad op het podium. Het gewaad ging af en de twee begonnen de liefde met elkaar te bedrijven. Liefde is misschien precies het verkeerde woord. Zij hadden dezelfde zakelijke uitdrukking als de Deen die naast mij zat. Nog absurder: precies bij het begin van elk nieuw couplet deden zij een nieuw standje. Ik zou nog opgewondener raken van het gebouw van De Nederlandsche Bank op een regenachtige oktoberochtend.

Buiten kwam ik de jongen tegen. Hij vertelde dat het meisje zijn vriendin was, en dat hij vier keer per dag de show deed. Hij stapte op zijn fiets en vond zijn weg tussen de dronken Britten. Zijn werkdag zat er weer op.

Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

Jelle – eet een gehaktbal

Eten is leuk, koken is nog leuker, maar het allerleukst is lezen over eten. Vanzelfsprekend verslind ik de stukjes van Johannes van Dam. Toen hij een tijdje ziek was kreeg ik ontwenningsverschijnselen. Ik ben zenuwachtig, want over een paar dagen ga ik lunchen met Mark Bittman. Bittman is de food writer van de New York Times, de Amerikaanse Johannes van Dam als het ware. Hij is in Nederland om onderzoek te doen naar Hollands eten, en Janneke Vreugdenhil nodigde mij uit om wat te gaan lunchen met Bittman. Op Twitter converseer ik af en toe met Janneke over obscure Georgische kruidenmengels, dus zij dacht dat ik dit wel leuk zou vinden. Waar Twitter niet goed voor is!

Maar goed, Bittman gaat zich dus hier verdiepen in de Hollandse keuken. Ik moest onmiddellijk denken aan het eethuisje La Falote op het Roelof Hartplein. Als mijn vader riep ‘Ik ga koken’, was het thuis altijd feest want dan gingen we eten bij La Falote. Ondanks de Franse naam kan het niet Hollandser. Op de tafels liggen rood-wit geruite kleedjes. Bij gebrek aan plaatsen schuiven mensen aan. Boven het urinoir hangt de volgende tegeltjeswijsheid: ‘Doe gerust een stapje dichterbij, ‘hij’ is kleiner dan u denkt’. En aan de muren hangen oude oorkondes en onduidelijke koperen pannen. Als kers op de taart komt de kok, als het wat rustiger is, uit de keuken en speelt een deuntje op zijn accordeon.

Ik bestelde altijd hetzelfde: een gehaktbal met gebakken aardappeltjes en andijvie. Het toetje kan ook niet veel klassieker: griesmeelpudding. In een Duralex-bakje, nota bene. Ik vroeg mij af hoe het was met La Falote. Toen ik nog klein was zat het voornamelijk vol met alleenstaande bejaarde mannen. Toen waren er nog maar een handvol restaurants, nu zijn het er ongeveer een miljoen. Zou La Falote het wel overleefd hebben in het geweld van fusion-restaurants, lounge bars en hippe Italianen? Ik besloot er een kijkje te nemen.

Met geluk kreeg ik een tafeltje, want voor de rest zat het stampvol. Ik keek om mij heen. Op een espresso-apparaat na was het interieur helemaal hetzelfde gebleven. En dat gold ook voor de gehaktbal. Alleen: waar waren de alleenstaande bejaarden? Alle tafeltjes zaten vol met groepen, van aanschuiven was geen sprake. En van alle kanten hoorde ik luid Engels gepraat (om de een of andere manier kunnen Amerikanen alleen maar schreeuwend converseren. Zouden ze allemaal een beetje doof zijn?). De serveerster vertelde dat het eetcafé vermeld staat in de reisgids Lonely Planet. En sindsdien zit het vol met toeristen. De kok liep uit de keuken met zijn accordeon en ging bij een groepje Amerikanen zitten. Misschien is er dan toch een toekomst voor de Hollandse keuken.

Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

 

 

Jelle – draait door

Ik heb een onstilbare honger naar triviale feiten. Dat is een handicap. Ten eerste heb je er niets aan om die feitjes te kennen. En ten tweede kost het tijd die je ook voor nuttige dingen kan gebruiken. Zo moest ik voor Zomergasten wat opzoeken over de kunstenaar Jan Dibbets en las ik op zijn
Wikipediapagina dat hij ooit Albanië bezocht. Daar wil ik vervolgens alles over weten, ook al heb ik wel wat beters te doen op dat moment. Aan de andere kant: als ik dit niet had gedaan, had ik jullie dit ongelooflijke verhaal niet kunnen vertellen.
Jan Dibbets was op bezoek in het museum voor moderne kunst in Tirana, de hoofdstad van Albanië, en werd verdrietig van de sociaal-realistische troep waar zo’n beetje elk museum aan die kant van het IJzeren Gordijn mee vol hing. Hij ging bij vrienden en collega’s langs om moderne kunst op te halen en bracht die naar het museum van Tirana. Christo, Damien Hirst, Karel Appel: niet de minste namen.
Toen ik op reis was in Albanië stond het dus vast dat ik een bezoek aan dit museum zou brengen. Wie nog nooit in Albanië is geweest: het is zonder twijfel het meest absurde land van Europa. Toen wij de grens overstaken uit Montenegro hield het asfalt abrupt op en veranderde de weg in een hoop stenen. Over de volgende vijftig kilometer deden wij vijf uur. Even abrupt gingen de kuilen en hobbels over in een grote nieuwe snelweg. Een man die voor ons reed, had een afrit gemist, zette zijn auto in de achteruit en reed tegen het verkeer in naar zijn gemiste afrit. Eenmaal in het hotel aangekomen, lagen er twee handdoeken in de kamer: één ter grootte van een badlaken, de ander zo groot als een theedoek. Enzovoorts. Wie zijn verstand wil verliezen, maar net nog dat ene duwtje nodig heeft: ga naar Albanië.
De volgende dag ging ik naar het museum. Het was open, dat vond ik al een enorme meevaller. De eerste zaal stond vol met sociaal-realistische kunst. De titels zeggen genoeg: ‘Metaalarbeider’, ‘De bouw van elektriciteitscentrale nr. 3’, ‘Vooruitgang van de maatschappij’. Midden in de zaal stond een vreemde buste van een naakte vrouw. Een suppoost vertelde dat de buste ooit deel uitmaakte van een heel naakt. Het communistische regime vond dit echter een aanstootgevend beeld. Voor straf moest de kunstenaar zelf zijn beeld doormidden zagen. Waarom de borsten dan weer niet aanstootgevend waren, is mij een raadsel. Maar met logisch denken kom je niet ver in Albanië. Ik liep naar de verdieping erboven, waar nog een zaal was met metaalbewerkers. Tweede verdieping: idem.
Verward liep ik terug naar de kassa en vroeg of ik misschien een zaal over het hoofd had gezien. “Hirst!” gilde ik, om niet mijn verstand te verliezen. En: “Appel!” De caissière keek mij niet-begrijpend aan, maar dirigeerde mij naar het kantoortje van de directrice. Die knikte kort toen ik weer had gegild en zei: “Die liggen in het magazijn.”