Jelle – weet de weg

Ik fietste met mijn vader langs de Amstel richting Ouderkerk. Mijn vader fietst dit stukje elke dag, weer of geen weer. Niemand weet precies wanneer hij hiermee begon, maar het is zeker meer dan tien jaar geleden. Hij fietst niet voor de schilderachtige vergezichten, die al door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat dat betreft kan hij ook gewoon de Beneluxbaan af fietsen. Het is meer een vorm van meditatie. Denk ik. Het is dan ook niet gebruikelijk dat ik meefiets, en hij fietst niet langzamer voor mij. Mijn vader is 76, maar ik kan hem niet bijhouden.

De terugweg uit Ouderkerk voert langs de rustiger oever, aan de kant van de Amsterdam Arena. Je fietst dan langs het voetbalveld van de politie, een cadeau van Freddy Heineken na zijn ontvoering, zo gaat het gerucht. En langs het rare weiland met straatlantaarns; een ijsbaan op de koudste winterdagen. Langs een klein aantal moestuintjes, waar ooit een tuinhuisje stond. In mijn eindexamenjaar ging ik hier elke week heen met mijn vader en lazen van samen Vergilius. Dankzij dat huisje ben ik niet gezakt.

Maar wij waren pas onderweg naar Ouderkerk, aan de kant van het Amstelpark. Na een bocht doemde ineens een dame op, op het midden van de rijweg. Ik zag onmiddellijk dat zij Russisch was. Niet alleen omdat zij midden op de rijbaan stond en ons tot stoppen maande, ook omdat zij er Russisch uitzag. Misschien was het haar kapsel waar minstens twee bussen haarlak in verwerkt zaten. Misschien was het de enorme uilenbril. Wij hadden geen keus dan te stoppen, het was duidelijk dat deze dame geen stap opzij zou gaan doen.

Zonder enige introductie of verontschuldiging vroeg zij: ‘Waar is het standbeeld van Rembrandt?’ Ze stelde de vraag in het Russisch. Net als Amerikanen zijn Russen imperialisten die ervan uit gaan dat de rest van de wereld Russisch spreekt. Toen ik nog maar net in Moskou woonde en de taal nog niet sprak gingen Russen heel langzaam tegen mij praten. Ik zou het toch wel verstaan? Ik antwoordde de vrouw dat zij nog wat verder moest lopen tot zij bij een molen kwam, omringd met bussen en Japanse toeristen. Achter de molen zit Rembrandt verstopt, waar hij knielend een schets maakt van het landschap. Wat ik altijd zeer onwaarschijnlijk vind. Want hoe lang houd je die houding vol? Zonder mij te bedanken draaide de vrouw zich resoluut om en liep in de richting van Ouderkerk. Haar kapsel gaf geen kik in de harde wind.

Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

Jelle – gaat slim hamsteren

Zuchtend en puffend zat ik te denken waar ik in vredesnaam een container en stikstof moest halen. En hoeveel dat zou kosten. Tegenwoordig ren ik een paar keer in de week op een crosstrainer in een sportschool op het Waterlooplein. Ik ren liever buiten, maar dat gaat niet meer sinds ik mijn rug heb gebroken, anderhalf jaar geleden. Dus dan maar de crosstrainer. Het is een stomvervelende bezigheid, maar na het sporten voelt het goed. Bovendien denk ik altijd veel na tijdens het sporten; veel columns ontstaan op de crosstrainer. Ik dacht op dat moment aan het boek Reinventing Collapse van Dmitri Orlov dat momenteel op mijn nachtkastje ligt.

Orlov trekt parallellen tussen de huidige crisis en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Ik vond het allemaal nogal vergezocht, maar ik houd er wel rekening mee dat de crisis ons nog veel harder gaat treffen. Zo hard, dat de euro en de dollar misschien wel in elkaar storten. En dat wij allemaal failliet gaan, het zijn tegenwoordig niet meer heel erg onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Het boek is vooral nuttig vanwege de tips wat je moet doen als eenmaal alles in elkaar is gestort. Er zit bijvoorbeeld een handig hoofdstuk in over ‘slim hamsteren’. Eten hamsteren heeft niet veel zin, dat bederft vroeg of laat. Beter is om dingen in te slaan die niet bederven, zoals zeepjes, condooms, scharen en andere dingen die mensen op de lange termijn echt nodig hebben. Die kan je dan weer ruilen tegen eten.

Daar vul je een container mee, en die container spuit je dan vol met stikstof, zodat niks gaat roesten. Ook is het belangrijk dat je jezelf goed verdedigt. Maar het allerbelangrijkst volgens de schrijver is niet het hebben van spullen, maar je te omringen met mensen die aan spullen kunnen komen. Dat zou in de steden in het bijzonder belangrijk zijn, omdat daar veel minder eten omhanden is. Ik zit breek nu al mijn hoofd over hoe ik van mijn balkonnetje een moestuin ga maken.

Ik keek uit het raam naar de rommelmarkt van het Waterlooplein, wat toch een beetje het putje is van Amsterdam. Eigenlijk kom je er alleen als je een belachelijk kledingstuk wil hebben voor een themafeest, of een spuitbus om je fiets over te spuiten. Zoals gebruikelijk stond er de stevige kale man met een paar bergen met tweedehands schoenen en broeken. Maar hij handelt in nog veel meer. Hij werkt zich te pletter maar draagt toch altijd een onberispelijk overhemd. In zijn eentje moet hij een dozijn in de gaten houden die in zijn stapels zitten te wroeten, en toch wordt er nooit iets gejat. Hij redt het wel, als de pleuris eenmaal is uitgebroken.

Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

Jelle – eet een croissant

Uitgerekend de enige dag in de zomer dat de zon scheen stond ik in een lange file, op weg naar Rotterdam. Ik ben een grote fan van Rotterdam, en begrijp niet wat veel Amsterdammers tegen die stad hebben. Rotterdam heeft een haven, en een smoel. Eindelijk eens geen kleine kneuterig huisjes, zoals de rest van Nederland. Rotterdam is geen stad, maar infrastructuur, merkte Zomergast Erik van Lieshout al op in de uitzending. Van Lieshout is kunstenaar, woont en werkt in Rotterdam, en ik besloot hem daar op te zoeken. Wij troffen elkaar buiten, en zonder introductie drukte hij een croissant in mijn hand, alsof dat volkomen vanzelfsprekend was. Hij vertelde dat hij niet wilde praten, maar mij Rotterdam wilde laten zien.

Erik van Lieshout is net als Rusland: onvoorspelbaar, onaangepast, en met een geheel eigen universum met andere natuurwetten. Door dit soort mensen en landen moet je je laten meeslepen, ook al begrijp je niet alles. Ik knabbelde dus maar wat aan de croissant en wij reden (met de auto natuurlijk, niemand fietst in Rotterdam) naar het Hendrik Idoplein, waar van Lieshout bezig was met een kunstproject. Hij wees naar een huis waarvan hij de inboedel had opgekocht van een overleden bewoner. We liepen binnen bij Sjaak, ook een kunstenaar, die ons zijn nieuwe werk liet zien. We kamen langs tante Annie, die buiten op de stoep zat te genieten van de enige mooie dag van deze zomer. Zij stond erop dat wij bij haar op de thee kwamen.

Later, in de uitzending, hamerde Van Lieshout op het engagement van kunstenaars, en de band tussen kunstenaars en de samenleving. De volgende dag las ik op de voorpagina van het Parool dat de directeur van het Rijksmuseum de passage van het museum toch gesloten wil houden voor fietsers. Ik zou kunnen schrijven hoe belangrijk die route is voor alle fietsers die van zuid naar centrum gaan. Ik zou kunnen schrijven dat je talloze goede musea hebt, maar dat je maar een museum hebt met een passage voor fietsers. Dat dat het Rijks zo uniek maakt, en niet alleen haar schilderijen. Maar kennelijk is die directeur daar niet gevoelig voor (zou hij zelf wel eens fietsen door Amsterdam?), want dat is al veelvuldig genoemd in de talloze ingezonden brieven.

Dus gooi ik het over een andere boeg: de passage onder het Rijksmuseum legt een brug tussen Amsterdammers en cultuur. Dit is wat een fietser denkt die door de passage gaat: ‘Wat fijn dat ik hier weer kan fietsen! De galm, de geur, het gebouw! Moet er toch maar weer eens heen, gebruik die museumjaarkaart veel te weinig. Wat een geweldig museum!’ En dat zijn duizenden fietsers per dag. Meneer Pijbes, doe het niet voor ons. Doe het voor de kunst.

Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

 

Jelle – staat in de Eftelingopstelling

Met lichte tegenzin liep ik de vertrekhal van Schiphol binnen. De staarfase is weer aangebroken. De afgelopen zes weken ben ik achttien uur met mijn kop op de televisie geweest en dat begin je na enige tijd te merken. Televisie is een wonderlijk medium; de kijker krijgt het idee mij te kennen. Dat kan op verschillende manieren uitwerken. Na de Rusland-serie hadden sommigen het idee dat ik een oude en goede vriend van ze was. Mannen sloegen instinctief een arm om mijn schouder, en schrokken vervolgens van hun eigen reactie. Wonderlijk detail: om de een of andere reden werd ik tijdens de Ruslandseries in de helft van de gevallen aangesproken door Surinaamse mannen van middelbare leeftijd.

Bij Zomergasten werkt het anders, en ben ik kennelijk geen vriend die je op de schouder klopt. Het is wat afstandelijker, mensen staren je aan. Dan heb ik liever die arm om mijn schouder. Maar wat ik van het vorige jaar weet: het slijt wel weg, en over een paar maanden zit ik alweer in de ken-ik-jou-niet-van-fase. Dan word ik weer aangesproken door mensen die er zeker van zijn met mij een drankje te hebben gedronken met een gezelschap op een terras in Muiderberg. Dat houden zij ondanks mijn ontkenningen stug vol, en dan moet ik, horror, zeggen: ‘U kent mij van televisie’.

Uitgerekend midden tijdens de uitzendingen moest ik naar Schiphol, voor mijn vlucht naar Lissabon. Voor de familiebijeenkomst weet u nog? Die is uiteindelijk zonder ruzie verlopen en was zelfs leuk. Waarschijnlijk omdat wij elkaar vantevoren zo erg bang hebben zitten maken met doemscenarios viel het wel mee. Vanwege de schoolvakanties was het druk op Schiphol. ‘U kunt daar aansluiten in de Efteling-opstelling’, zei een beveiligingsbeambte en wees naar een lange slingerende rij. Ik sloot aan en voelde mij bekeken. Ergens verderop in de Eftelingopstelling hield een mongooltje de rij op. Met grote moeite, met de ronde metalen leuning als steun, krabbelde hij zeer nauwkeurig en zeer traag iets op een papiertje. De rij wachtte netjes tot het mongooltje was uitgeschreven en het aan een man gaf die achter mij in de rij aansloot.

De man keek mij indringend aan. Ik probeerde zijn blik te vermijden, maar de man sprak mij zelf aan. ‘Overkomt mij weer, sta ik in de rij met een bekende Nederlander!’ Ik knikte beleefd. ‘Kent u hem niet dan? Dat is een van de acteurs uit Downistie, die soapserie uit De Wereld Draait Door! Alle acteurs hebben het Down-syndroom! En ik herkende een van hen! En nu heb ik zijn handtekening!’, en hij wapperde trots met het papiertje met keurig gekrulde letters.

——-

Reactie op column:

‘Hallo beste Jelle Brandkorstjes
Best wel leuk dat jij voor mij liep in die lange rij daar op Schiphol!
Jammer zeg dat jij niet herkend werd maar ik lekker wel. Ik vind datnog steeds heel erg leuk, maar jij doet er erg moeilijk over en ookoverdreven. Want zelfs mijn fan herkende jou niet eens omdat jezo omlaag liep te kijken. Ben je soms jaloers of heel erg verlegen?Dan heb ik een goeie tip voor jou: kijk goed omhoog, lach iedereenvriendelijk toe anders loop je erbij als een zombie. En noem mij geenmongooltje, ik ben 23 jaar en ben een aantrekkelijke jongeman metdownsyndroom. Ik noem jou toch ook geen kale bonestaak!!!’

Tobias Westerveld,
alias Thomas Bos uit Downistie