Jelle – verzint een woord

Ik heb het onmetelijke geluk dat ik op dit moment naar twee vakantiehuisjes kan. Het ene huisje is van de vader van mijn vriendin en ligt in Egmond. Laatst maakte ik daar een wandeling met mijn vriendin. Ze vertelde dat Staatsbosbeheer alle dennen en sparren had omgehakt, omdat die geen deel uitmaakten van de oorspronkelijke vegetatie.
Het was een rare wandeling, ik miste de geur van de dennen. En loofbomen, tja hoe zal ik het zeggen; niemand zingt met kerst ‘O, iep, o iep, wat zijn uw takken wonderschoon.’ Bovendien lijkt het mij
’s winters nogal ongezellig, al die bomen zonder blaadjes. Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik mij erover opwond. Stop de dennenboomocide!
Het andere vakantiehuisje staat in Petten, ik ken het goed. Elke zomer van mijn jeugd bracht ik hier door. Ik liep door het mooie bos, dat gelukkig nog wel vol stond met naaldbomen, waar ik de boswachter tegenkwam, die ik ook al sinds mijn jeugd ken. We raakten in gesprek en ik besloot hem te vragen naar de omgehakte bomen in Egmond.
Ik weet het: tegenwoordig is het not done voor journalisten om feiten te checken. Vroeger was de nieuwscyclus een dag, tegenwoordig is iets na twintig minuten alweer oud nieuws, en in de jacht naar scoops brengen journalisten nieuwtjes zonder ze na te gaan. Zo meldden vele serieuze media, waaronder de site van Het Parool, ten onrechte dat Johan Derksen Zomergast zou zijn, zonder bijvoorbeeld mij of de VPRO te bellen.
Maar ik besloot om ouderwets genoeg het verhaal bij de boswachter te checken. Het lag genuanceerder; dennenbomen zien er misschien onschuldig uit, maar zijn in feite heel agressieve boomsoorten die het liefst alle andere bomen het bos uitgooien. De PVV onder de bomen, als het ware. Daar komt nog bij dat er veel meer dieren leven in loofbossen dan in dennenbossen. En dat er een Europese richtlijn was, waarin stond dat er in Europa al genoeg dennenbossen waren, maar dat het duinlandschap Nederland zo bijzonder maakt.
Dat zal allemaal wel, maar voor Nederlanders is een dennenbos weer bijzonder. En fijn dat die dieren het zo naar hun zin hebben in dat loofbos, maar mensen zijn toch ook dieren? Ik begreep dat het dennenbos van Petten bleef staan. Maar de dennenboomocide bij Egmond en andere stukken langs de kust gaat gewoon door. Als u het fijn vindt om ’s winters tussen kale bomen te lopen: gefeliciteerd! Als u het net als ik te ver vindt gaan: schrijf een brief naar Staatsbosbeheer, of stel hier vragen over aan een boswachter bij u in de buurt.

In: Parool 25 juni 2011. Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

Jelle – krijgt een pannetje

En daar lag ik dan, halfnaakt op een picknicktafel, van mijn navel tot mijn kruin ingesmeerd met vaseline. Boven mij stond een charmante dame met een bus vogeltjeszand. Het mediacircusje rond Zomergasten is losgebarsten en de fotograaf van tijdschrift Linda vond het wel een leuk idee mij bedekt met een laagje zand te fotograferen. Zomergasten, zomer, zand, dat idee.
Vaak vinden fotografen een portret maar saai en verzinnen ze iets anders. Sommigen denken daar van tevoren over na, zoals de man van Linda, dan vind ik het geen probleem. Anderen bedenken ter plekke iets ludieks met de spullen die toevallig voorhanden zijn, zonder achterliggende gedachte. Met die laatste groep ben ik gestopt. Mijn persoonlijke dieptepunt beleefde ik met een fotograaf van de Nieuwe Revu, die mij zo gek kreeg voor de foto een natte wuppie aan een wasrek in mijn trappenhuis te hangen.
Hoe dan ook, de fotoshoot voor Linda was op Blijburg, aangezien ik een weekje logeerde in een appartement op IJburg. Ik kom vaker naar Blijburg, op de rest van IJburg was ik nog nooit geweest. Daar had ik ook geen behoefte aan: het leek mij een saaie, aangeharkte Vinex-wijk, met als bijkomend nadeel dat er altijd keiharde wind staat. Met enige scepsis betrok ik dus mijn logeeradres. In de avond klopte er iemand aan met een pannetje eten. Dit had ze nog over, of ik het misschien wilde. Ik liep naar buiten voor een wandelingetje en op de brug naar het volgende eiland kwam ik een man tegen met een gerafelde broek en een blikje Euroshopperbier. Grappig dat ze op IJburg ook zwervers hebben, dacht ik. Maar toen ik ging zitten in een verlaten café, kwam ik de man weer tegen; hij bleek geen zwerver te zijn en zat vol spannende verhalen. Ik liep verder door een straatje waar iedereen zijn eigen huis had ontworpen. Sommige waren mooi, sommige erg lelijk, maar in elk geval origineel. Niemand was opgefokt, nergens werd je van je sokken gereden, mensen groetten elkaar. De achtertuinen waren niet van elkaar gescheiden met kaarsrechte schuttingen, zoals ik had verwacht, maar liepen in elkaar over. In alle tuinen aan het water groeiden onkruid en hoog gras. Een man klom uit het water, slofte in zijn kamerjas door het onkruid en klopte bij zijn buurvrouw aan voor een glas wijn.
In Blijburg probeerde ik onder een krakkemikkige douche de vaseline en zandresten van mij af te spoelen, zonder enig resultaat overigens, en ik dacht aan het pannetje, het onkruid, de ontspannen sfeer, de kamerjas en de man met het halveliterblik bier. En ik bedacht dat ik eindelijk de gezellige Russische rafelranden had gevonden, op de meest onwaarschijnlijke plek van Amsterdam.

In: Parool 28 mei 2011. Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

Jelle – is een luie bluffer

Ik ben hard aan het leren voor mijn proefwerk van donderdag. Het zal er wel weer op uitdraaien dat ik op het laatste moment mijn woordjes erin probeer te stampen op het bankje voor de kamer van de conrector. Sinds januari doe ik een cursus Hindi op de donderdagavond in het Sweelinck College. Het klaslokaal, afspreken met klasgenoten om te leren voor het proefwerk (en dan niet leren), snoep eten in de pauze, het roddelen over de leraar: het is alsof ik weer op school zit.
Anders dan op de middelbare school komen alle cursisten uit vrije wil. Een taal leert je niet alleen het land beter te leren kennen, in dit geval India, en Suriname tot op zekere hoogte. Het geeft ook een inkijk in interessante verbanden met andere Indo-Europese talen als Nederlands en Russisch, en het besef dat wij allemaal bij één grote taalfamilie horen. En het zet aan tot nadenken. Zo betekent het Hindi-woord kal zowel gisteren als morgen. Dat kan ook best, want uit de context blijkt altijd wat je bedoelt. Het is mij niet gelukt een zin te bedenken waarin deze kal tot verwarring leidt.
Eerder heb ik cursussen Russisch en Bahasa gedaan, en nu zit ik in een groep die overwegend bestaat uit – al dan niet Surinaamse – Hindoestanen. Maar of ik nou in Sint-Petersburg ben, Yogyakarta, Groningen of Amsterdam, de groep bestaat altijd uit dezelfde mensen. Het is een wonderlijke universele wetmatigheid.
Je hebt de Geïnteresseerde Bejaarde, die in de zee van vrije tijd zijn hoofd steekt in een oude passie. Je hebt de  Nette Perfectionist, die de hoofdstukken in haar boek met tabvelletjes heeft onderverdeeld en consequent u tegen de leraar zegt, terwijl hij dat helemaal niet wil. Je hebt de Luie Bluffer, die steevast drie lessen achterloopt, maar dat met veel improvisatie in de conversatie compenseert.
Ten slotte heb je bij elke cursus de Gemotiveerde Afhaker. In het geval van de Hindicursus was dat de accountant Theo. Hij begon zeer gemotiveerd, vertelde hij in de pauze van de eerste les. Zijn vrouw keek elke avond Bollywoodfilms, en hij wilde wel eens weten wat er eigenlijk werd gezegd. Hij was ook de gangmaker van de groep. Leerden wij  het woordje voor ‘u’ in het Hindi, dat toevallig klinkt als aap, dan zei Theo: ‘Zo noemt mijn vrouw mij ook altijd!’
Het probleem was dat de woordjes niet in Theo’s hoofd wilden blijven hangen. Hij besteedde elke dag uren aan zijn huiswerk. Maar de woordjes gingen er niet in. Een week geleden mailde Theo dat hij – met pijn in zijn hart – niet meer naar de cursus zou komen, het lot van iedere Gemotiveerde Afhaker. Ik moet nog wel eens aan hem denken, hoe hij daar op de bank zit met zijn vrouw en naar een urenlange Bollywoodfilm kijkt, terwijl hij probeert te raden wie nou precies op wie verliefd is. Het ga je goed Theo. Tot kal.

In: Parool 28 mei 2011. Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

Jelle – ziet een billboard

Ik besloot maar weer eens door de Nieuwe Doelenstraat te fietsen, de straat ligt al meer dan een jaar open, god weet wat ze daar uitspoken, en het wegdek leek een soort van gemaakt. Een stadsopzichter of hoe ook mag heten, sommeerde mij van mijn fiets te stappen. De straat was nog niet hersteld. Hij had gehoord dat de werkzaamheden dit najaar klaar zouden zijn.

Een bord stond er verder niet. De gemeente heeft een revolutionaire manier gevonden om vertragingen van bouwprojecten te voorkomen: simpelweg niet meer melden wanneer het klaar is. Diezelfde vreemde interne logica kwam ik tegen bij de Russische treinen, die nooit en te nimmer vertraging hebben. In de communistische tijd werden treinmanagers afgerekend op de stiptheid van de treinen. Dus rekenden de managers zeer ruime reistijden voor de treinen, soms wel een uur meer dan er voor een bepaald traject nodig is. Daardoor staat tot op de dag van vandaag een Russische trein vaak enige tijd stil voor het station, om vervolgens precies op tijd binnen te rijden.

Hoe dan ook, met mijn fiets aan de hand liep ik verder en mijn blik viel op een billboard met de titel ‘Kanker is Topsport.’ Thuis zocht ik op internet de organisatie achter de slogan, en het bleek een goeiige club te zijn van mensen die zich inzetten voor de sportbegeleiding van kankerpatiënten.

Niets mis mee natuurlijk, maar het gaat mij om de slogan, en de algemene trend om kanker met sport te vergelijken. Dit is sinds Lance Armstrong een trend die er niet uit te rammen is, en die als een kanker door de samenleving groeit. Mijn bezwaar is dat de mensen die dood zijn door kanker natuurlijk ook hebben gevochten, niemand wil dood. En als ik dan ‘Kanker is topsport’ zie staan, denk ik onwillekeurig aan de doden, die kennelijk niet hard genoeg hebben gesport.

Ik zou willen dat het anders was, maar kanker bestrijd je met mazzel en medicijnen, dat is alles. Lance Armstrong heeft het overleefd, niet omdat hij een topsporter is, maar omdat hij geluk heeft gehad (misschien hielp de doping wel). De vergelijking van een oorlog is wel goed gevonden, maar je lichaam is slechts het slagveld waar de oorlog op gevoerd wordt. Het is een smerige oorlog, zoals ik mij de slag om Verdun voorstel, met een landschap bepokt door mortierinslagen in de mist van mosterdgas.

Dus, lieve campagnemakers, denk de volgende keer niet alleen aan degenen die tegen kanker ‘vechten’, maar ook aan hen die de strijd hebben ‘verloren’, en hun nabestaanden. Kanker is geen topsport. Kanker is klote. Meer kan ik er niet van maken.

In: Parool 28 mei 2011. Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

Jelle is op zoek naar Jupiter

Het idee was zo goed: om aan mijn nieuwe boek te werken zou ik mij een hele week opsluiten in de stacaravan bij Vogelenzang. Bij het ochtendkrieken zou ik baantjes trekken in het zwembad, om vervolgens mijn dagelijkse portie van tweeduizend woorden te schrijven, met de merels en dergelijke als mijn muzen.
En hoe anders het ging. Het was te koud om te zwemmen. Hoe dan ook stond ik veel te laat op omdat ik de hele nacht wakker lag met een stofallergie. En ik had wel gedacht aan een zwembril, maar kleren was ik vergeten. Elke keer als ik het keukentje indook, stootte ik mijn hoofd tegen een aluminium rand. Precies op de plek waar het rare stippellijntje in deze column op mijn hoofd uitkomt. Snotterend liep ik rond als een half gescalpeerde indiaan. Alsof dat niet genoeg was, vond ik in de vriezer twee gifgroene Crocs. Het schijnt dat dat helpt tegen stinkvoeten. In deze omgeving kwam weinig van het schrijven terecht.
Om wat boodschappen te halen en hopelijk wat inspiratie op te doen, tikte ik op de navigator van mijn mobiel de dichtstbijzijnde Albert Heijn in en zette koers op een oude omafiets die ik in de schuur had gevonden. Die Albert Heijn bleek in Hillegom te liggen. Hillegom! Met onze oma maakten wij hier vaak tripjes naartoe vanuit Overveen, waar zij woonde. Ik weet nog dat wij in een winkel geheten Jupiter een plaatje voor mijn verjaardag hadden gekocht, de beginregels waren Hallo Jelle, het is zo fijn/ want vandaag zal jij het feestvarken zijn. Speciaal voor mij (en voor alle andere namen met twee lettergrepen)! Ook gingen wij in Hillegom vaak naar een kinderfilm waar oma luid begon te snurken zodra het licht gedimd was.
Ik ging op zoek naar de Jupiter en de bioscoop, maar kon ze geen van beiden ergens vinden. Ook mijn mobieltje wist het niet, en de Hillegommers evenmin. Toen ik terugfietste door de bollenvelden begon ik te twijfelen of dit zich allemaal wel in Hillegom had afgespeeld, en of het zich überhaupt had afgespeeld. Ik begon aan mijn hele jeugd te twijfelen. Ik had wel een dagboek, maar daar schreef ik alleen in op wat wij hadden gegeten, en hoeveel sterren er die avond aan de hemel stonden. Eenmaal terug in de caravan, nadat ik weer mijn hoofd had gestoten, overwoog ik om mijn zus Aaf te bellen, het geheugen van de familie. Ik besloot het niet te doen; niet alleen omdat moeders met twee jonge kinderen helemaal nooit de telefoon opnemen. Eigenlijk deed het er niet toe of ik echt in de Jupiter of de bioscoop geweest was met mijn oma. Sommige verhalen kan je beter niet checken.
In: Parool 21 mei 2011. Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan