Droger

Mijn tante Liesje was meer dan een tante. Anderhalf jaar nadat zij is overleden, moet ik nog steeds de neiging onderdrukken haar nummer te bellen als er iets aan de hand is. Ze was een beetje onze moeder. Zo gingen wij twee keer per jaar met haar kleren kopen. Wij gingen dan eerst naar de C&A, en binnen een half uur waren voor mij alle kleren voor de winter of de zomer ingekocht. De rest van de dag besteedden wij met het vinden van de kleren voor mijn twee oudere zussen, wat een stuk ingewikkelder was. Uren stond ik in winkels te wachten waar mijn zussen eindeloos twijfelden tussen die trui met groene neonkleuren of toch die met blauwe neonkleuren (het waren de jaren tachtig). Nog steeds lopen de rillingen over mijn lijf als ik in de Kalverstraat langs kledingzaak Het Bos loop, waar wij een keertje voor mijn gevoel drie volle dagen doorbrachten. Na deze ellende nam Liesje ons mee naar de Hema, waar wij kroketten met brood aten, het hoogtepunt van de dag.
Het moment dat wij het huis van mijn tante leeg moesten halen viel samen met het moment dat ik weer terugkeerde naar Amsterdam. Het was logisch dat ik een deel van de huisraad zou overnemen. Dus gingen de bankstellen, koelkast, oven, droger en een gigantisch televisiemeubel, dat ik samen met mijn tante had gebouwd, naar mijn nieuwe huis.
Dat was, eerlijk gezegd, niet allemaal even handig. Het televisiemeubel bleek niet door het trappenhuis te passen, en moest ik op straat zetten. Andere spullen bleek ik bij nader inzien niet echt nodig te hebben, maar ik weigerde ze weg te gooien. De ingebouwde koelkast liet ik eruit slopen om plaats te maken voor mijn tantes koelkast. De ingebouwde oven was lastiger; daarom heb ik tot op de dag van vandaag twee ovens in mijn piepkleine keukentje.
Een plek voor een eventuele afwasmachine offerde ik op voor de droger van mijn tante. Het probleem met de droger is alleen dat hij niet droogt. Ik ‘gebruik’ hem nu al een jaar, en een jaar lang haal ik kleren uit de droger die nog steeds min of meer nat zijn. Ik kies standaard voor het heetste programma, maar het mag niet baten. De natte kleren leg ik in mijn kast in de stille hoop dat ze daar nog wat verder drogen. Dat gebeurt niet, met het gevolg dat ik rondloop in klamme T-shirts die nog een beetje stinken ook. Nu ik met het lekkere weer alles buiten kan hangen, is die oude droger nog overbodiger. Het is dus tijd om het grof vuil te bellen. En dit klinkt idioot, maar dat valt mij zwaar.

In: Parool 23 april 2011. Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan (Prometheus)

Ayla en Jondalar

Ooit reed ik met mijn vader dwars van oost naar west door de Verenigde Staten. Ergens in de Blue Ridge Mountains van Virginia kwamen wij een wielrenner tegen die elke heuvel door zijn vrouw omhoog werd gereden in de auto. Bovenop de heuvel stapte de man op zijn fiets en zoefde naar beneden, waar zijn vrouw stond te wachten om hem de volgende heuvel op te rijden. Wij vonden dat verschrikkelijk, en dat heeft vast te maken met onze calvinistische volksaard: dat je alleen recht hebt op iets moois als je eerst hebt geleden. Dan kun je je natuurlijk weer afvragen waarom het calvinisme uitgerekend in Nederland zo aansloeg. Dat heeft volgens mij met het unieke weer te maken. Nederlanders worden voor een korte periode van zonnig weer altijd gestraft met een lange periode van wind, slagregens en natte zadels.
Hoe dan ook, met die instelling las ik toen ik jong was De stam van de holebeer van de Amerikaanse schrijfster Jean Auel. Het is een zeer dik en zeer middelmatig boek over de lotgevallen van Ayla en Jondalar, en speelt zich af in het stenen tijdperk. Er gebeurde natuurlijk heel weinig in die tijd, dus met moeite worstelde ik mij door de hoofdstukken, waar soms pagina’s werden gewijd aan het plukken van bessen of het oversteken van een stroomversnelling. Als beloning kreeg ik de scènes met Ayla en Jondalar, als ze eenmaal in de grot terugkeerden van de jacht.
Internet was er niet in die grot, laat staan televisie, dus vermaakten Ayla en Jondalar zich uitsluitend met elkaar. Dat werd allemaal zeer expliciet beschreven. En zeer uitgebreid: een seksscène nam gemakkelijk twaalf bladzijden in beslag (ik moet overigens de eerste mannelijke schrijver nog tegenkomen die dat doet). Natuurlijk las ik als tienjarige deze passages met oortjes die echt rood werden, en nam alle zwerftochten en medicinale korstmossen die de rest van het boek vulden op de koop toe.
Vervolgens verslond ik ook nog De vallei van de paarden, De mammoetjagers en Het dal der beloften, en toen was het klaar. Ayla en Jondalar hadden kennelijk alle hoeken van de grot wel gezien. Dacht ik. Maar nu, na twintig jaar, heeft Jean Auel een nieuw deel geschreven: Een vuurplaats in steen. Ik heb het boek gelijk gekocht. Zodat ik, als het weer dagenlang regent, kan lezen hoe Ayla bij die stenen vuurplaats, in het flakkerende licht van een smeulend vuur voor Jondalar staat en haar gordel losgespt, waar een gedroogde otter met kruiden aan hangt. En vervolgens langzaam haar tuniek van zich afwerpt. En haar beenkappen, wat dat ook mogen zijn.

In: Parool 16 april 2011. Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan (Prometheus)

Beatrixpark

Op de eerste mooie voorjaarsdag ging ik met mijn vader wandelen in het Beatrixpark. Het viel ons allebei op dat er veel mensen in het park waren, wat ongebruikelijk is. Bij de meeste Amsterdamse parken is het eerder andersom: in het Sarphatipark zal je op een zonnige zondag geen grassprietje zien, zo veel mensen zijn er, maar in het Beatrixpark kun je gewoonlijk een rondje lopen zonder iemand tegen te komen. Toen ik jong was, kwamen wij er vaak en ik vond het soms een beetje een enge plek, omdat het er zo uitgestorven was.
In de middag las ik een voorpublicatie van een boek over de Noord/Zuidlijn in Het Parool met de veelzeggende kop ‘Elite Zuid duwde metro De Pijp in’. Het gebeurt niet vaak, maar bij het lezen van het stuk viel mijn mond open van verbazing. Wie van de hoed en de rand wil weten, moet het boek van Bas Soetenhorst maar kopen. Maar in een notendop: oorspronkelijk zou de lijn een halte hebben aan de rand van het Beatrixpark, aan de RAI-kant. Dan zou het RAI-publiek mooi gebruik kunnen maken van het Beatrixpark. Deze variant zou 150 miljoen euro goedkoper zijn, de bouwellende zou veel beperkter zijn tot vooral de achterzijde van het Beatrixpark, waar geen kip in de buurt woont (wel wat parkieten). Door een geraffineerde lobby van bewoners uit Zuid werd de metro naar de Ferdinand Bolstraat verplaatst. De straat is er eigenlijk te smal voor, dus moesten de tunnels onder elkaar worden aangelegd, wat moeilijker en duurder is en een langere bouwtijd vergt.
Nu begrijp ik dus waarom ik al jaren om de Ferdinand Bolstraat heen moet fietsen. Soms moet ik er toch zijn, als ik iets moet kopen bij de Kijkshop bijvoorbeeld, en ga ik daarna langs bij de moeder aller Febo’s.
Als ik daar dan mijn kroketje sta te eten met mijn neus voor het smalle fietspad waar iedereen zich doorheen perst en daarachter een enorme hijskraan, word ik gelijk claustrofobisch. Ik probeer mij dan voor te stellen hoe het zou zijn om daar te wonen.
Een kind in de Ferdinand Bolstraat dat zes jaar oud was bij het begin van de werkzaamheden, is 21 jaar als de metro eenmaal rijdt. Het brengt zijn hele jeugd door met bouwellende op een armbreedte afstand. Zodat, begrijp ik nu, een handjevol mensen in Zuid kunnen genieten van hun mooie en uitgestorven Beatrixpark.

In: Parool 9 april 2011. Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan (Prometheus)

Kinderstrikje

Voor de eerste keer naar een filmpremière: een handleiding.
Black tie betekent dat je een smoking aan moet trekken. Koop een goedkope smoking, huren is duur, na drie keer dragen heb je het geld er al uit. Begin niet aan een echt strikje, dat is veel te ingewikkeld. Maar denk ook niet dat een voorgestrikt ‘kinderstrikje’ makkelijk is. Doe dat strikje dus niet op het laatste moment om. Mocht je dat toch doen: maak het vast met een knoop en knip de rest eraf.
Als het vrouwelijk gezelschap hakken draagt die hoger zijn dan haar voet lang is: neem een taxi. Maar dit blijft natuurlijk wel Nederland waar niemand gek doet: zelfs bij een filmpremière mag een taxi niet de Reguliersbreestraat inrijden. Hij zal stoppen op de Amstel, waardoor je heel erg glamoureus samen door een achenebbisj pissteegje moet steken. Daar kom je erachter dat je geen kauwgum bij je hebt. Dat is jammer, want je hebt net Bretonse viskoekjes gegeten. In het steegje staan echter twee hangjongeren die er dreigend uitzien, maar je een pepermuntje aanbieden uit een enorme snoepzak.
Na de rode loper pak je een glas champagne en loop je een kwartier voor de voorstelling naar boven. Op een groepje meisjes na die vrijkaartjes hebben gekregen omdat ze zijn gerold in Tuschinski is de zaal nog leeg. Maar daardoor kun je wel de beste plaatsen uitkiezen van de zaal, pal achter Carice van Houten, die in de film een Zuid-Afrikaanse dichteres speelt.
Na afloop van de film is de presentatie in handen van een journalist die een baanbrekend boek over de Nederlandse journalistiek heeft geschreven. Hij doet alsof hij heel erg gewoon is, maar trekt juist daardoor alle aandacht naar zichzelf, in plaats van naar de schitterende film die we zojuist hebben gezien. Hij zegt bijvoorbeeld: “Ik heb geen flauw idee waarom ze mij voor deze première hebben gevraagd.” En: “Ik hoor hier een bruggetje te maken naar het volgende onderwerp, maar ik weet niet wat voor bruggetje.” Vervolgens vraagt de journalist aan Carice van Houten: “Als je personage uit de film een dier zou zijn, wat voor dier zou dat dan zijn?” Als Carice van Houten – terecht – weigert daar een antwoord op te geven, en de journalist een minuut lang blijft proberen een antwoord te krijgen op deze kennelijk urgente vraag en je niet meer weet waar je je plaatsvervangende schaamte moet laten: vouw je handen voor je gezicht alsof je heel geconcentreerd luistert, terwijl je je wijsvingers in je oren doet.
Ga naar afloop naar de wc om je kinderstrikje weer goed te doen, praat, eet en dans, tot je er zwetend achter komt waarom die smoking zo goedkoop was: hij is van polyester. Loop vervolgens naar de fietstaxi’s op het Rembrandtplein. Het is een ontzettend romantische rit naar huis, dus dat de fietsende Rus veel te veel geld vraagt, maakt niets uit.

In: Parool 2 april 2011. Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan (Prometheus)