Zeil

Nog nooit in mijn leven heb ik meegedaan aan een vrijgezellenfeest. Op de enige bruiloft was ik de getuige bij een huwelijk tussen twee vrouwen, dus een vrijgezellenfeest zat er voor mij niet in. Het is een magere score, voor 32 jaar leven. Niemand om mijn heen schijnt het nut in te zien van trouwen. Op Russische bruiloften ben ik wel vaak genoeg geweest, daar wordt nog naar hartenlust getrouwd, ook als je iemand bijvoorbeeld twee maanden kent. Vaak loopt het uit op een scheiding, bijvoorbeeld twee maanden later. Ik vroeg een Russische vriendin eens waarom de meeste Russen in het gemeentehuis, maar niet voor de kerk trouwden. Haar onvergetelijke antwoord: “Als je voor de kerk trouwt, dan is het voor altijd.”
Afgelopen zaterdag belandde ik in de karaokebar Casablanca op de Zeedijk. Met vrienden hadden wij op de Nieuwmarkt gegeten en alle drie hadden we wel zin in karaoke. Een maand eerder hadden we bij mij thuis karaoke gezongen, maar de bedoeling is natuurlijk dat er ook mensen zijn die tandenknarsend luisteren naar het valse gezang. Dat kan in Casablanca.
Het café is zo compact dat de garderobe en de garderobemevrouw in een kast in het mannentoilet verstopt zitten. Er wordt niet gerookt, wat ook weer nadelen heeft, want daardoor ruik je alle andere luchtjes weer wel. Die ruik je zo erg goed, dat de dj op een bepaald moment over de luidspreker vroeg of iemand op de dansvloer kon stoppen met het laten van scheten.
De samenstelling van het café is uniek: het bestaat uit wilde vrouwen, die bijvoorbeeld de vijftigste verjaardag van een vriendin komen vieren, en uit jonge corpsballen, waar de vrouwen hevig naar lonken. Wat de twee groepen gemeen hebben, is de passie waar zij de valsheid van hun stemmen mee compenseren. Wie wil weten hoe de echte Voice of Holland klinkt, moet eens naar Casablanca gaan.
Behalve vrouwen van vijftig en studenten is het café ook populair bij vrijgezellenfeesters – vrouwen met snorren, mannen in babypak, dat werk. Eén van de aanwezige jongens vertelde over zijn aanzoek: hij had zijn vriendin meegenomen op een zeilboot, op het zeil stond de tekst ‘wil je met mij trouwen?’ Het was natuurlijk al spannend genoeg, maar om alles erger te maken stond er die dag nauwelijks wind. En toen de wind aantrok en hij het zeil hees, zat zijn vriendin te sms’en. Uiteindelijk kwam het toch nog goed, over een maand gaan zij trouwen. Vrolijk nam hij een slok van zijn bier en zette Malle Babbe in. En even, al was het maar de lengte van karaokenummer, zag ik de charme van trouwen in.

In: Parool 29 januari 2011
Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan (Prometheus)

Wandelingetje

Het was Blue Monday, de dag waarop ik het meest gedeprimeerd hoor te zijn. Dit is een verzinsel van een pseudowetenschapper, gesponsord door een pr-bedrijf; de gelukkigste dag heeft hij ook ‘berekend’, gesponsord door een ijsjesbedrijf. Maar die ochtend leek het ook te kloppen: voor het laatst leegde ik mijn postbus in de Stopera. Het was voor mij een droevige dag, omdat ik altijd met plezier het wandelingetje maak. Maar de tijden gaan vooruit, de postmarkt wordt geliberaliseerd, geholpen door klinkende successen als de privatisering van de NS. En nu doet het postkantoor ook geen postbussen meer.
Voor de laatste keer zette ik mijn fiets aan de Amstelkant en liep langs de oplaadpunten voor elektrische auto’s. Al een jaar haal ik hier mijn post en nog nooit heb ik er een auto zien staan. En nu, op mijn laatste dag, stond er een auto aan het stopcontact.
Ik liep door de draaideuren naar binnen, langs de violist die uit de grond komt, de lange hal door. Het fijnst van de Stopera zijn nog wel de galmende klanken die de hielen van je schoenen voortbrengen, alsof je in een paleis loopt. Die gedachte vervloog snel toen ik de eerste zwerver tegenkwam, met een halve liter Albert Heijnbier in zijn hand. Dit was een ervaren zwerver en hij hield zijn biertje enigszins uit het zicht door een enorme folder uit te klappen en ogenschijnlijk geïnteresseerd te lezen over een operavoorstelling.
Verderop, bij de wand met foto’s waarbij ik altijd begin te twijfelen of die bezuinigingen op kunstsubsidies nou zo erg zijn, stond een minder ervaren zwerver, zonder operafolder. Hij werd vriendelijk aangesproken door twee politieagenten die hem naar buiten dirigeerden. Bij de lift stond, zoals altijd, de man in zijn scootmobiel. Hij staat er alsof hij op de lift staat te wachten, maar neemt hem nooit. Misschien een vorm van meditatie?
Met de post op zak voltooide ik mijn wandelingetje naar de uitgang aan de marktkant, om precies te zijn naar het stalletje van de Griek, die zulke lekkere bladerdeeghapjes maakt dat zelfs het meisje van de Vietnamese loempia’s klant is. Uiteindelijk is het halen van mijn post mijn excuus om een lekker, maar moddervet stuk bladerdeeg naar binnen te werken.
Nu is mijn postbus verhuisd naar een kopieerwinkel. Ik wil geen oude lul zijn die roept dat alle veranderingen per definitie slecht zijn. Maar ik zal mijn wandelingetje met de galm, de zwervers, de man in de scootmobiel en de Griek missen.

In: Parool 22 januari 2011
Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan (Prometheus)

Jaguar

Mijn auto overleed uitgerekend midden in een ijskoude winderige polder in Flevoland. De wegenwacht nam niet eens de moeite om hem aan de praat te krijgen. Een dag later werd ik gebeld door de garage met het slechte nieuws. Ik hakkelde wat terug. “Het verlies van een auto wordt door onze klanten vaak als emotioneel ervaren,” zei de monteur goeiig aan de andere kant van de lijn. Maar ik was helemaal niet emotioneel; ik was kwaad, omdat ik maar een half jaar in deze auto had rondgereden. Dat krijg je met een goedkope tweedehands, wreven vrienden mij in.
Vastbesloten om een betrouwbare auto te vinden, vroeg ik rond bij diezelfde vrienden. Nee, een Renault moest ik niet meer kopen, want Franse motoren waren onbetrouwbaar. Het beste was een Toyota Aygo. Klein, handig voor in de binnenstad en zo zuinig dat je geen wegenbelasting hoefde te betalen. En nog het belangrijkst: betrouwbaar. Ik keek op Autotrack naar tweedehands Aygo’s. Ik werd er niet echt warm van, maar bleef maar tegen mijzelf zeggen dat het beter was zo.
En toen kwam de nieuwjaarsborrel van de VPRO. Zo’n borrel waar je van plan bent om even langs te wippen, maar waar je uiteindelijk om middernacht thuis komt met een blauwe tong van de wijn. Ik raakte in gesprek met een collega, die net een film had gemaakt over nederwiet. Voor de opnames had hij een oude Jaguar aangeschaft waar hij nu vanaf wilde. Enkele maanden daarvoor hadden wij samen een ritje gemaakt in de auto, een Sovereign uit 1990. Ik had toen het gevoel alsof ik op een vliegend tapijt zat, zo zweefden wij door het Amsterdamse verkeer.
Met mijn blauwer wordende tong dacht ik aan het vliegende tapijt en mijn hart begon sneller te kloppen. Met alle macht probeerde ik rationeel te blijven. De Jaguar was een enorme bak, dus lastig inparkeren, helemaal als je al niet zo handig bent. De wegenbelasting zou astronomisch zijn, net als de benzinekosten. De auto was een koopje, wat betekende dat hij elk moment stuk zou kunnen gaan. Jaguars hadden geen goede reputatie, dat wist ik zelfs. Mijn collega vertelde dat het ‘handig was om altijd een flesje olie in de achterbak te hebben’ en dat hij na het rijden ‘voor de zekerheid de contactpuntjes van de accu haalt, want soms loopt hij leeg’, en dat het ‘een echte auto voor een klusser’ was. Ik heb geen enkel verstand van klussen.
Halfdronken glibberfietste ik naar huis, met de sleutels van de Jag in mijn broekzak.
Over een maand of twee zult u mij zien staan, in een winderige Flevopolder, voor de vorm buigend over een rokende motorkap.

In: Parool 15 januari 2011
Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan (Prometheus)

Zelfbeheersing

Ik was een jaar of acht, het was een zondagmiddag en ik verveelde mij te pletter. Als kind lijkt de tijd trager voorbij te gaan en al helemaal de zondag. Winkels waren toen nog gesloten op de Dag des Heren, brood kon je alleen halen bij Theeboom aan de Churchilllaan, de stad was verlaten.
Die dag besteedde ik met het van een tafeltje op de bank springen. Dat ging goed, totdat ik op een scherp potlood sprong dat overeind tussen de bankkussens verstopt zat. Het doorboorde mijn broek en stak diep in mijn lies; twee centimeter verder naar links en ik had nooit kinderen kunnen krijgen.
Ik had geen pijn, de verbazende sensatie van een potlood in mijn been overheerste. Ik weet nog dat ik dacht: zo moet iemand zich voelen als een messenwerper per ongeluk raak gooit.
Veel tijd om na te denken had ik niet, mijn oppas trok het potlood koelbloedig uit mijn been. Een littekentje bleef over, en nu is zelfs het litteken verdwenen en is alleen de herinnering er nog.
Lang heb ik gedacht dat messenwerpers allang niet meer bestaan, in verband met ongetwijfeld een handvol Arbowetten (‘alleen messen met een ergonomische handgreep’).
Maar in België bestaan ze nog. Nota bene de zus van de oppas die het potlood uit mijn been trok, is een professionele messenwerpster. Toen ze in Antwerpen een show gaf, zocht ik haar op. Het leek mij wel een educatief uitje voor de spirituele vorming van mijn petekind, dat daar woont.
Zoals ik had verwacht, ging iemand voor een groot houten bord staan en gooide zij de messen rakelings langs hem heen. Maar daar bleef het niet bij; de man begon te rennen, en telkens als hij omlaag dook of zijn been ergens had gelicht, belandde daar een mes. Of een bijl.
Bijlen zijn gek genoeg gemakkelijker om gericht mee te gooien, vertelde de messenwerpster mij na afloop. Ze zijn logger en zwaarder, waardoor hun traject voorspelbaarder is – dat u het weet.
In al die jaren was er maar één keer een ongeluk gebeurd, en dat was met een medewerker die aan de achterkant van het bord stond. Hij kreeg een mes dat door het bord ging in zijn been.
En wat bleek verder: de man naar wie zij de messen wierp, was de ex-vriend van de messenwerpster. Sinds kort was het uit.
Dag in dag uit messen rakelings langs je ex gooien: de ultieme vorm van zelfbeheersing.

In: Parool 8 januari 2011
Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan (Prometheus)