Jelle – heeft geen voorpret

Toen ik dit voorjaar een maand op reis naar India ging kocht ik de dag voor vertrek een paar schoenen, wat je natuurlijk nooit moet doen. Al lopend naar station Weesperplein voelde ik al dat de schoenen te klein waren. Op Schiphol heb ik in alle haast een nieuw paar gekocht. Toen vond ik het zonde om de nieuwe schoenen weg te gooien, dus heb ik ze wekenlang met mij meegesleept. En dat is maar goed ook: er schijnt nu iemand in de Thar-woestijn met mijn te kleine schoenen rond te lopen.

Tijdens mijn vlucht naar Delhi zat ik tussen twee luid snurkende mannen geklemd omdat ik niet op tijd had ingecheckt. Dat kon vanaf 4 uur ’s nachts, de nacht voor vertrek. Je wilt niet weten hoeveel mensen hun wekker zetten om een mooi plekje te bemachtigen; om 7 uur waren alle gangpad- en raamplaatsen al vergeven.

Als jullie dit stukje lezen zit ik weer in het vliegtuig naar Delhi. De komende maanden zal ik in India doorbrengen voor een nieuwe serie voor de VPRO. Voor zo’n reis bereid je je goed voor zou je denken. Niets is minder waar. Op zaterdagochtend zal ik mijn koffer volproppen met verschillende sokken, en zal er een verdwaalde muts of blikopener tussen zitten. De kleren zullen niet schoon zijn want ik zal ze vissen uit een wasmand. Of erger nog, ik vis ze uit de wasmachine en moet overgewicht betalen voor mijn natte kleren.

Voor andere mensen draait alles bij reizen juist om de voorpret. Mijn lieve tante Liesje was wat dat betreft mijn tegenpool. Of zij nou een weekend naar Londen ging of een week naar Moskou, een half jaar voor vertrek begon zij al met uitgebreide research, en kon in een adem alle betaalbare hotels bij Hyde-park opnoemen. Haar voorbereiding zou je grondig kunnen noemen: voor haar reis naar Rusland deed zij eerst een cursus Russisch. Ruim een week van tevoren begon zij al met het inpakken van haar koffer. Haar pièce de résistance waren de adresstickers die zij uitprintte om vervolgens op ansichtkaarten in het land van bestemming te plakken (voor jonge lezers: het zijn een soort uitgeprinte emails). Liesje was de koningin van de voorpret.

Intussen legde ik mij alweer neer bij een vlucht waar ik urenlang tussen twee snurkende mannen geklemd zou zitten. Maar bij de research voor mijn nieuwe serie stuitte ik op een wonderlijk bedrijfje in India. Je geeft je vluchtgegevens aan hen door, en je vertelt ze waar je het liefst in het vliegtuig zit. Vervolgens checken ze jou om vier uur ’s nachts in op de beste plek. Mijn tante zou trots op mij zijn geweest: als jullie dit lezen zit ik dus fijn aan het raam. In een natte spijkerbroek, dat dan weer wel.

Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

Jelle – zoekt de bananenbar

Er zijn plekken in Amsterdam waar alle toeristen wel zijn geweest, maar ik nog niet. Het Anne Frankhuis bijvoorbeeld. Het lijkt mij ontzettend interessant, maar om als Amsterdammer aan te sluiten in de rij toeristen voelt gewoon raar. Bovendien: dat Anne Frank-huis loopt niet weg natuurlijk. Datzelfde heb ik altijd gehad met de Bananenbar. Het leek mij een reuze interessante plek, maar om daar nou in je eentje heen te gaan is natuurlijk een beetje gek.

Gelukkig kreeg ik buitenlandse vrienden op bezoek die de Bananenbar wilden zien. We gingen naar de Wallen, waar wij laveerden tussen de massa’s laveloze Britten. Het viel mij op dat er geen mannetjes meer stonden die ‘coke’ fluisterden. Dat kan zijn omdat er minder gebruikt wordt, of omdat het makkelijker te krijgen is. Ik vrees het laatste. Laatst was ik in een bepaalde bar aan de Spuistraat waar een lange rij stond voor het herentoilet, maar het urinoir was vrij. Drie keer raden wat ze daar op de wc deden.

Enfin, de Bananenbar konden wij niet vinden dus liepen binnen bij een ‘Live Sex Show’. Het voorprogramma bestond uit een dame die een sigaret kon roken vanuit een bijzondere plek. Vervolgens dimde het licht, ging zij met haar benen omhoog in een soort omgekeerde spagaat en stak een kaars op in de bijzondere plek. Tenslotte sleepte zij een van de laveloze Britten het podium op, die zijn T-shirt uit moest trekken en op de grond moest gaan liggen. De dame vroeg naar de naam van zijn vriendin, stak een Edding in de bijzondere plek en schreef de naam van zijn vriendin op zijn torso. Gelukkig was de jongen te dronken om de rampzaligheid van de situatie te overzien.

Naast mij zat een Deen in onberispelijk pak met een attachékoffertje. Hij had een vergadering gehad op de Zuidas. Altijd als hij nog een paar uur te doden had voor zijn vlucht naar Kopenhagen ging hij naar deze tent, vertelde hij, en keek nuchter naar het podium, alsof hij eigenlijk nog op de vergadering was.

Vervolgens verschenen een man en een vrouw in een priestergewaad op het podium. Het gewaad ging af en de twee begonnen de liefde met elkaar te bedrijven. Liefde is misschien precies het verkeerde woord. Zij hadden dezelfde zakelijke uitdrukking als de Deen die naast mij zat. Nog absurder: precies bij het begin van elk nieuw couplet deden zij een nieuw standje. Ik zou nog opgewondener raken van het gebouw van De Nederlandsche Bank op een regenachtige oktoberochtend.

Buiten kwam ik de jongen tegen. Hij vertelde dat het meisje zijn vriendin was, en dat hij vier keer per dag de show deed. Hij stapte op zijn fiets en vond zijn weg tussen de dronken Britten. Zijn werkdag zat er weer op.

Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

Jelle – eet een gehaktbal

Eten is leuk, koken is nog leuker, maar het allerleukst is lezen over eten. Vanzelfsprekend verslind ik de stukjes van Johannes van Dam. Toen hij een tijdje ziek was kreeg ik ontwenningsverschijnselen. Ik ben zenuwachtig, want over een paar dagen ga ik lunchen met Mark Bittman. Bittman is de food writer van de New York Times, de Amerikaanse Johannes van Dam als het ware. Hij is in Nederland om onderzoek te doen naar Hollands eten, en Janneke Vreugdenhil nodigde mij uit om wat te gaan lunchen met Bittman. Op Twitter converseer ik af en toe met Janneke over obscure Georgische kruidenmengels, dus zij dacht dat ik dit wel leuk zou vinden. Waar Twitter niet goed voor is!

Maar goed, Bittman gaat zich dus hier verdiepen in de Hollandse keuken. Ik moest onmiddellijk denken aan het eethuisje La Falote op het Roelof Hartplein. Als mijn vader riep ‘Ik ga koken’, was het thuis altijd feest want dan gingen we eten bij La Falote. Ondanks de Franse naam kan het niet Hollandser. Op de tafels liggen rood-wit geruite kleedjes. Bij gebrek aan plaatsen schuiven mensen aan. Boven het urinoir hangt de volgende tegeltjeswijsheid: ‘Doe gerust een stapje dichterbij, ‘hij’ is kleiner dan u denkt’. En aan de muren hangen oude oorkondes en onduidelijke koperen pannen. Als kers op de taart komt de kok, als het wat rustiger is, uit de keuken en speelt een deuntje op zijn accordeon.

Ik bestelde altijd hetzelfde: een gehaktbal met gebakken aardappeltjes en andijvie. Het toetje kan ook niet veel klassieker: griesmeelpudding. In een Duralex-bakje, nota bene. Ik vroeg mij af hoe het was met La Falote. Toen ik nog klein was zat het voornamelijk vol met alleenstaande bejaarde mannen. Toen waren er nog maar een handvol restaurants, nu zijn het er ongeveer een miljoen. Zou La Falote het wel overleefd hebben in het geweld van fusion-restaurants, lounge bars en hippe Italianen? Ik besloot er een kijkje te nemen.

Met geluk kreeg ik een tafeltje, want voor de rest zat het stampvol. Ik keek om mij heen. Op een espresso-apparaat na was het interieur helemaal hetzelfde gebleven. En dat gold ook voor de gehaktbal. Alleen: waar waren de alleenstaande bejaarden? Alle tafeltjes zaten vol met groepen, van aanschuiven was geen sprake. En van alle kanten hoorde ik luid Engels gepraat (om de een of andere manier kunnen Amerikanen alleen maar schreeuwend converseren. Zouden ze allemaal een beetje doof zijn?). De serveerster vertelde dat het eetcafé vermeld staat in de reisgids Lonely Planet. En sindsdien zit het vol met toeristen. De kok liep uit de keuken met zijn accordeon en ging bij een groepje Amerikanen zitten. Misschien is er dan toch een toekomst voor de Hollandse keuken.

Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

 

 

Jelle – draait door

Ik heb een onstilbare honger naar triviale feiten. Dat is een handicap. Ten eerste heb je er niets aan om die feitjes te kennen. En ten tweede kost het tijd die je ook voor nuttige dingen kan gebruiken. Zo moest ik voor Zomergasten wat opzoeken over de kunstenaar Jan Dibbets en las ik op zijn
Wikipediapagina dat hij ooit Albanië bezocht. Daar wil ik vervolgens alles over weten, ook al heb ik wel wat beters te doen op dat moment. Aan de andere kant: als ik dit niet had gedaan, had ik jullie dit ongelooflijke verhaal niet kunnen vertellen.
Jan Dibbets was op bezoek in het museum voor moderne kunst in Tirana, de hoofdstad van Albanië, en werd verdrietig van de sociaal-realistische troep waar zo’n beetje elk museum aan die kant van het IJzeren Gordijn mee vol hing. Hij ging bij vrienden en collega’s langs om moderne kunst op te halen en bracht die naar het museum van Tirana. Christo, Damien Hirst, Karel Appel: niet de minste namen.
Toen ik op reis was in Albanië stond het dus vast dat ik een bezoek aan dit museum zou brengen. Wie nog nooit in Albanië is geweest: het is zonder twijfel het meest absurde land van Europa. Toen wij de grens overstaken uit Montenegro hield het asfalt abrupt op en veranderde de weg in een hoop stenen. Over de volgende vijftig kilometer deden wij vijf uur. Even abrupt gingen de kuilen en hobbels over in een grote nieuwe snelweg. Een man die voor ons reed, had een afrit gemist, zette zijn auto in de achteruit en reed tegen het verkeer in naar zijn gemiste afrit. Eenmaal in het hotel aangekomen, lagen er twee handdoeken in de kamer: één ter grootte van een badlaken, de ander zo groot als een theedoek. Enzovoorts. Wie zijn verstand wil verliezen, maar net nog dat ene duwtje nodig heeft: ga naar Albanië.
De volgende dag ging ik naar het museum. Het was open, dat vond ik al een enorme meevaller. De eerste zaal stond vol met sociaal-realistische kunst. De titels zeggen genoeg: ‘Metaalarbeider’, ‘De bouw van elektriciteitscentrale nr. 3’, ‘Vooruitgang van de maatschappij’. Midden in de zaal stond een vreemde buste van een naakte vrouw. Een suppoost vertelde dat de buste ooit deel uitmaakte van een heel naakt. Het communistische regime vond dit echter een aanstootgevend beeld. Voor straf moest de kunstenaar zelf zijn beeld doormidden zagen. Waarom de borsten dan weer niet aanstootgevend waren, is mij een raadsel. Maar met logisch denken kom je niet ver in Albanië. Ik liep naar de verdieping erboven, waar nog een zaal was met metaalbewerkers. Tweede verdieping: idem.
Verward liep ik terug naar de kassa en vroeg of ik misschien een zaal over het hoofd had gezien. “Hirst!” gilde ik, om niet mijn verstand te verliezen. En: “Appel!” De caissière keek mij niet-begrijpend aan, maar dirigeerde mij naar het kantoortje van de directrice. Die knikte kort toen ik weer had gegild en zei: “Die liggen in het magazijn.”

Jelle – weet de weg

Ik fietste met mijn vader langs de Amstel richting Ouderkerk. Mijn vader fietst dit stukje elke dag, weer of geen weer. Niemand weet precies wanneer hij hiermee begon, maar het is zeker meer dan tien jaar geleden. Hij fietst niet voor de schilderachtige vergezichten, die al door Rembrandt zijn opgemerkt. Wat dat betreft kan hij ook gewoon de Beneluxbaan af fietsen. Het is meer een vorm van meditatie. Denk ik. Het is dan ook niet gebruikelijk dat ik meefiets, en hij fietst niet langzamer voor mij. Mijn vader is 76, maar ik kan hem niet bijhouden.

De terugweg uit Ouderkerk voert langs de rustiger oever, aan de kant van de Amsterdam Arena. Je fietst dan langs het voetbalveld van de politie, een cadeau van Freddy Heineken na zijn ontvoering, zo gaat het gerucht. En langs het rare weiland met straatlantaarns; een ijsbaan op de koudste winterdagen. Langs een klein aantal moestuintjes, waar ooit een tuinhuisje stond. In mijn eindexamenjaar ging ik hier elke week heen met mijn vader en lazen van samen Vergilius. Dankzij dat huisje ben ik niet gezakt.

Maar wij waren pas onderweg naar Ouderkerk, aan de kant van het Amstelpark. Na een bocht doemde ineens een dame op, op het midden van de rijweg. Ik zag onmiddellijk dat zij Russisch was. Niet alleen omdat zij midden op de rijbaan stond en ons tot stoppen maande, ook omdat zij er Russisch uitzag. Misschien was het haar kapsel waar minstens twee bussen haarlak in verwerkt zaten. Misschien was het de enorme uilenbril. Wij hadden geen keus dan te stoppen, het was duidelijk dat deze dame geen stap opzij zou gaan doen.

Zonder enige introductie of verontschuldiging vroeg zij: ‘Waar is het standbeeld van Rembrandt?’ Ze stelde de vraag in het Russisch. Net als Amerikanen zijn Russen imperialisten die ervan uit gaan dat de rest van de wereld Russisch spreekt. Toen ik nog maar net in Moskou woonde en de taal nog niet sprak gingen Russen heel langzaam tegen mij praten. Ik zou het toch wel verstaan? Ik antwoordde de vrouw dat zij nog wat verder moest lopen tot zij bij een molen kwam, omringd met bussen en Japanse toeristen. Achter de molen zit Rembrandt verstopt, waar hij knielend een schets maakt van het landschap. Wat ik altijd zeer onwaarschijnlijk vind. Want hoe lang houd je die houding vol? Zonder mij te bedanken draaide de vrouw zich resoluut om en liep in de richting van Ouderkerk. Haar kapsel gaf geen kik in de harde wind.

Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan

Jelle – gaat slim hamsteren

Zuchtend en puffend zat ik te denken waar ik in vredesnaam een container en stikstof moest halen. En hoeveel dat zou kosten. Tegenwoordig ren ik een paar keer in de week op een crosstrainer in een sportschool op het Waterlooplein. Ik ren liever buiten, maar dat gaat niet meer sinds ik mijn rug heb gebroken, anderhalf jaar geleden. Dus dan maar de crosstrainer. Het is een stomvervelende bezigheid, maar na het sporten voelt het goed. Bovendien denk ik altijd veel na tijdens het sporten; veel columns ontstaan op de crosstrainer. Ik dacht op dat moment aan het boek Reinventing Collapse van Dmitri Orlov dat momenteel op mijn nachtkastje ligt.

Orlov trekt parallellen tussen de huidige crisis en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Ik vond het allemaal nogal vergezocht, maar ik houd er wel rekening mee dat de crisis ons nog veel harder gaat treffen. Zo hard, dat de euro en de dollar misschien wel in elkaar storten. En dat wij allemaal failliet gaan, het zijn tegenwoordig niet meer heel erg onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Het boek is vooral nuttig vanwege de tips wat je moet doen als eenmaal alles in elkaar is gestort. Er zit bijvoorbeeld een handig hoofdstuk in over ‘slim hamsteren’. Eten hamsteren heeft niet veel zin, dat bederft vroeg of laat. Beter is om dingen in te slaan die niet bederven, zoals zeepjes, condooms, scharen en andere dingen die mensen op de lange termijn echt nodig hebben. Die kan je dan weer ruilen tegen eten.

Daar vul je een container mee, en die container spuit je dan vol met stikstof, zodat niks gaat roesten. Ook is het belangrijk dat je jezelf goed verdedigt. Maar het allerbelangrijkst volgens de schrijver is niet het hebben van spullen, maar je te omringen met mensen die aan spullen kunnen komen. Dat zou in de steden in het bijzonder belangrijk zijn, omdat daar veel minder eten omhanden is. Ik zit breek nu al mijn hoofd over hoe ik van mijn balkonnetje een moestuin ga maken.

Ik keek uit het raam naar de rommelmarkt van het Waterlooplein, wat toch een beetje het putje is van Amsterdam. Eigenlijk kom je er alleen als je een belachelijk kledingstuk wil hebben voor een themafeest, of een spuitbus om je fiets over te spuiten. Zoals gebruikelijk stond er de stevige kale man met een paar bergen met tweedehands schoenen en broeken. Maar hij handelt in nog veel meer. Hij werkt zich te pletter maar draagt toch altijd een onberispelijk overhemd. In zijn eentje moet hij een dozijn in de gaten houden die in zijn stapels zitten te wroeten, en toch wordt er nooit iets gejat. Hij redt het wel, als de pleuris eenmaal is uitgebroken.

Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan