Bommelding

Ik had met vrienden gegeten in Nam Tim, waar ik eigenlijk kwam voor de voortreffelijke dimsummetjes. Die worden om onduidelijke redenen alleen overdag geserveerd, dus bestelden wij veel te veel hoofdgerechten waar wij ons langzaam doorheen werkten. Om ons heen zaten, zoals altijd, vrijwel uitsluitend Chinese families aan ronde tafels, met een ronde schaal in het midden die je gezellig kunt ronddraaien zodat je bij alle hapjes kunt.
Als ik politici hoor hameren op het belang van integratie moet ik denken aan de Chinezen, zo’n beetje de minst geïntegreerde bevolkingsgroep in Amsterdam, maar tegelijkertijd de meest succesvolle. Ik bedoel, je hoort nooit iets over Chinese hangjongeren.
Met deze gedachten fietste ik richting het Amstelstation, door een verlaten fietstunnel. In de tunnel stond een grote rieten tas. Wat er inzat kon ik niet gelijk zien, maar het leek op een goor kussen. Ik fietste verder en begon ineens te twijfelen. Normaal zou ik er niet verder over nadenken, maar de tas was groot en lag precies onder een drukke spoorlijn. Ik heb mij altijd al afgevraagd waarom terroristen per se een vliegtuig of een metro willen opblazen. Het is toch veel gemakkelijker om een trein te laten ontsporen?
Die middag had ik een interview gelezen met de nieuwe burgemeester, die ontzettend daadkrachtig schijnt te zijn en de stad veiliger wil maken. Ik wilde niet achterblijven, dus belde voor het eerst in mijn leven de politie.
Ik gaf de verdachte tas door met de precieze locatie en werd daarna gebeld door een dame van de politie, die de precieze locatie van de tas wilde weten. Vervolgens werd ik een derde maal gebeld, dit keer door een echte politieagent: “Kunt u mij vertellen waar de verdachte persoon zich ophoudt?”
Wat later werd ik opnieuw gebeld door de politieagent. De tas was gevonden en meegenomen. In de tas zat alleen maar een slaapzak. Waarschijnlijk van een zwerver, voegde de agent eraan toe. Ik voelde mij nogal lullig dat ik om zoiets onbenulligs de politie had gebeld. “Het is altijd goed om bij twijfel te bellen,” drukte de agent mij op het hart.
Ik dacht aan de zwerver, die zou
’s avonds na een lange dag straatkranten verkopen aan haastige mensen voor een verregende Albert Heijn naar zijn warme fietstunneltje lopen, om daar te ontdekken dat iemand zijn mottige slaapzak had meegenomen. Hij zou er vast anders over denken.

In: Parool 20/11/10

Kusje

Ik liep op de Weesperstraat, diep in gedachten verzonken. Ik had zojuist de hele Wibaut afgelopen, vanaf het Amstel. Bijna iedereen vindt de Wibautstraat de lelijkste straat van de stad. Ik vind het de mooiste straat. Het is namelijk de enige plek waar Amsterdam aanspraak kan maken op de titel ‘grote stad’. Ik schrok toen de werkzaamheden begonnen en keek op de site van de gemeente Amsterdam, maar gelukkig blijft alles min of meer hetzelfde, wel krijgen alle trottoirs dezelfde tegels. (deze operatie neemt ongeveer twee jaar in beslag).

Ik loop graag over de Wibautstraat als ik heimwee heb naar het lawaai, het verkeer en de lelijke gebouwen van Moskou. De monotone geluiden en gebouwen zorgen bij mij voor een meditatieve toestand waarbij ik goed na kan denken. Precies op het moment dat de auto langs kwam suizen dacht ik aan mijn buikje, en of dat nou een vooruitgang of een achteruitgang in mijn leven was. Het was een oude Mercedes, die tussen de twee rijbanen slingerde. Voorin zat een man die meppen uitdeelde aan een jonge vrouw, die naast hem zat. Omdat hij ook nog enigszins op de weg moest letten maakte hij ongerichte maaiende bewegingen, zoals mijn vader vroeger ook altijd deed als hij het op de achterbank stil wilde hebben. Maar dat waren meer dreigende bewegingen, hij raakte ons nooit; de hand van de man landde vol in haar gezicht.

De auto sloeg rechtsaf, de gracht op, maar door al dat meppen had de chauffeur geen oog de passanten op de stoep. Op het laatste moment sprong ik opzij, de Mercedes schampte mij met zijn spiegel. In dit soort situaties kan je twee dingen doen: een scene trappen waarbij je een vechtpartij riskeert, of negeren en doorlopen en de hele dag gefrustreerd zijn. Ik koos voor de laffe tussenvariant: ik stak mijn middelvinger op en liep door.

De auto remde en de man sprong eruit. Hij noemde mij een gore tyfuslijer en vroeg ik ‘wat’ had (dat ‘wat had je dan’ heb ik nooit begrepen). Het meisje rende achter hem aan. Één oog was rood van het huilen, het andere oog was blauw. Ze had een verse schram op haar voorhoofd. Ik verdacht de ring van de man. Ze ging voor hem staan – ik ging ervan uit om de boel te sussen. In plaats daarvan kneep ze haar blauwe oog dicht terwijl ze schreeuwde: ‘Vieze gore kankermongool, je ziet toch dat we ruzie hebben. Vieze vuile flikker.’ Met deze wervende woorden stapte het duo weer in de Mercedes die wegstoof, de gracht op. Door het achterraam zag ik nog net dat het meisje een kusje gaf op de wang van haar vriend.

In: Parool 13/11/2010

Isolatorweg

Je hebt van die plekken waar je heen wilt gaan omdat ze zo fascinerend klinken. Isolatorweg is zo’n plek. Lange tijd, als ik op het perron stond te wachten en een metro vertrok in de richting van Isolatorweg, heb ik mij afgevraagd waar toch die mysterieuze halte ligt. Ik hoefde er nooit te zijn; Westpoort is een buurt waar je normaal niet komt, tenzij je een kolenschip bent. Maar tot mijn plezier besloot de burgemeester van Amsterdam de demonstratie van de English Defence League naar de omgeving van de Isolatorweg te verplaatsen. Aanleiding genoeg om er eens een kijkje te nemen.

Het is een raadsel waarom juist hier een metrostation is aangelegd. Er staan wat non-descripte gebouwen. Op de achtergrond rookt de schoorsteen van de Hemwegcentrale. Voor het metro ligt een lullig grasveldje. Het was de ideale setting voor een nogal absurde demonstratie. Die is intussen een week geleden, in het internettijdperk een eeuwigheid. Maar het gaat mij niet om het nieuws van de demonstratie, maar om de aandacht voor de demonstratie. Op het lullige grasveldje waren ongeveer honderd journalisten en fotografen en ongeveer honderd man politie, die een kordon vormden. Buiten het kordon stond een groepje van ongeveer honderd tegendemonstranten. Honden blaften, boven het grasveldje cirkelde een helikopter. Om de hoek stond een straalwagen van de NOS, om het Nederlandse volk op de hoogte van te houden van het laatste nieuws uit deze brandhaard.

Die driehonderd mensen stonden in een cirkel om de demonstranten: vijf verwarde Britse mannen. Ik bedoel niet vijf man bij wijze van spreken, het waren er echt maar vijf. Ook was er nog een nette dame met een onberispelijk roze hoedje op. De vijf Britten en de nette dame luisterden naar een enge Duitser die alle oorlogen tussen moslims en christenen aan het opsommen was, maar niet op de naam kon komen van Istanboel in de Byzantijnse periode. Een tegendemonstrant die door de haag van politieagenten heen was gekomen, vroeg: ‘En de kruistochten dan?’ en werd gelijk afgevoerd. Een wolk van journalisten volgde hem.

Iedereen was zich bewust van het belachelijke van de situatie. De journalisten, die zich afvroegen waarom hun bazen hen naar een grasveldje hadden gestuurd op deze zonnige zaterdag. De politie, die het druk had op het metroperron met Ajaxsupporters. Zij hadden het lumineuze idee gehad met z’n allen de metro te nemen, en werden met z’n allen op de volgende metro richting Gein gezet. En de demonstranten, die geamuseerd de pers te woord stonden die geduldig op hun beurt wachtten.

Onderweg naar huis hoorde ik het Radio 1-nieuws openen met de vijf mannen op het grasveld. ’s Avonds waren de vijf op het acht uurjournaal te zien, plus de man van de kruistochten. Ik zette de tv uit en keek op internet de Rally to restore sanity van de Amerikaanse komediant Jon Stewart. In zijn speech merkte Stewart op: “The press is our immune system. If it overreacts to everything, we actually get sicker.

In: Parool 6/11/10

Babytsunami

Beste Kasper,

Dit is je peter. Oftewel je peetvader, of nog beter: je godfather. Je hebt een Vlaamse vader, vandaar. Knoop in je oren dat je nooit je vader een Belg noemt, maar een Vlaming. Ach, tegen de tijd dat je deze brief kan lezen zal België niet meer bestaan.
Je moeder ken ik nog uit Groningen. Regelmatig gingen wij dingen doen waar je geld voor moest betalen, maar dat betaalden wij dan niet. Bijvoorbeeld: op zondag deden wij nette kleren aan en gingen ontbijten in een duur hotel, we vielen nooit op. Tot er op de dag een soort congres van Boeddhistische monniken was, en de ontbijtzaal vol zal met Tibetanen in gele gewaden.
Je ouders hebben mij gevraagd jouw peter te worden, en daar ben ik heel erg blij mee, al vraag ik mij af of ik de ideale peter ben. Het is de bedoeling dat ik jouw spirituele begeleider wordt, maar ik zit vaak in het buitenland, weet niks van het geloof en heb geen levensfilosofie in het algemeen. Dus heb ik in Boston (waar ik op baby-bezoek was) maar een berg babykleertjes voor je gekocht. Er zit een baby-berenpak bij, een Puma hiphop-outfit, en een hele kleine foute witte wollen spencer van Ralph Lauren. Wat je stijl ook wordt, er zit iets voor je tussen.
Je maakt deel uit van de zogenaamde baby-tsoenami van 2010. Er komt namelijk een moment, Kasper, dat je vrienden allemaal tegelijk kinderen krijgen. Dat zal voor jou rond 2042 zijn, het jaar waarin de Noord-Zuidlijn feestelijk wordt geopend. Ongeveer elke week valt er een geboortekaartje in mijn bus. Dus ga ik elke week wel op bezoek bij een van je collega’s, bewapend met een verantwoord speeltje of babykleertjes, luisterend naar details over de bevalling en de borstvoeding en de ontlasting.
De babytsoenami van 2010 valt te verdelen in twee groepen: Je hebt de groep ouders die hysterisch op hun baby letten, hooguit één persoon bezoek dulden, waar je drie uur lang moet fluisteren want ‘de baby slaapt/wil slapen/ houdt niet van vreemde geluiden’ en niet willen dat je hun kindje vasthoudt. En je hebt de ouders die bij binnenkomst de baby in je armen gooien, harde muziek opzetten, en bij het avondeten het kind op een schapenvel naast de eettafel leggen, waar hij/zij slaapt tijdens een luide dinerconversatie. Baby’s van de eerste groep huilen naar mijn mening de hele tijd. Baby’s van de tweede groep huilen alleen als ze honger hebben.
Jij behoort gelukkig tot de laatste groep, Kasper. Ik heb het vermoeden dat je in de toekomst mijn adviezen niet vaak nodig zal hebben, en ik je gewoon blij kan maken met cadeautjes. Nou goed, eentje dan: als je ergens gratis wilt ontbijten, scan eerst de ontbijtzaal op Tibetaanse monniken.

In: Parool 30/10/10