Walvis

Vorige week schreef ik over de stugge Inupiat-eskimo’s, hoog in het noorden van Alaska, en hoe ik een kadowinkel werd uitgegooid die La Bamba heette. We waren er aan het wachten op het begin van de walvisvangst, die door slecht weer maar niet van de grond kwam. Om een postzak met kwade brieven te voorkomen: Inupiat vangen al duizenden jaren walvissen, het hele dorp leeft ervan, en het aantal walvissen dat ze vangen is zo klein dat de walvispopulatie er niet door afneemt.

Zodra de storm over was kregen wij melding dat er een walvis was gevangen en reden naar het strand. In de verte zagen wij een armada van tien kleine vissersbootjes die samen een walvis achter zich aantrokken. Op het strand stond een bulldozer klaar (die gebruiken ze ook al duizenden jaren) en sleepte de walvis het strand op, de duinen over, naar de landingsbaan van het oude vliegveld van Barrow, de enige plek groot genoeg om de dieren te slachten. In de warmte van de cabine van mijn pickup-truck zag ik hoe volwassenen op de 13-meter lange walvis klommen om de dikke laag huid en vet eraf te snijden. De kinderen versleepten de enorme plakken met een vleeshaak.

Door het raam van de pickup leek het wel een soort schilderij van Hieronymus Bosch. Een zee van bloed op een sneeuwwitte landingsbaan, met in het midden een gebouw van vlees met juichende eskimo’s erbovenop. Ik besloot toch maar wat dichterbij te gaan. Een groep was met touwen de walvis aan het omkeren. Een van hen merkte op dat mijn handschoenen nog wel heel erg wit waren. Ik pakte het touw en samen draaiden wij de walvis om. Het slachten duurde al een uur of vijf en we moesten opschieten, want als het donker werd zouden de ijsberen komen voor het enige stuk van de walvis dat niet wordt opgegeten: het bot waar de baleinen aan zitten. Ik kreeg een vleeshaak in mijn handen gedrukt en met de andere jongens laadden wij de blubber en het vlees op een truck, die wegreed naar het huis van de kapitein, waar zijn vrouw voor het hele dorp zou koken.

Rond middernacht werd op de radio bekend gemaakt dat het vlees klaar was. Het hele dorp stond in de rij voor het huis van de kapitein. Binnen stonden bakken met walvisvlees te borrelen, en hing er een walgelijke lucht van levertraan. Elke bewoner kreeg een zakje met een paar kilo vlees, tong, hart en muktuk: de huid met een stukje blubber, wat zij als een delicatesse beschouwen (ik vond het naar huid en blubber smaken). Ook wij kregen een tasje: “Jullie zijn toch die jongens die hielpen bij de walvis”. Ik liep naar buiten met mijn tasje, op mijn jas en broek een dikke laag walvisblubber. Dus zo maak je vrienden bij de eskimo’s.

In: Parool 23/10/10

La Bamba

Voor het eilandgevoel hoef je niet op een eiland te zijn. Een eiland kan ook op het vasteland liggen. Een jaar geleden was ik in de stad Magadan, in het oosten van Rusland. De enige manier om naar deze stad te komen is met het vliegtuig. Magadanners refereren aan de rest van Rusland als ‘het vasteland’. Datzelfde gevoel heb ik in Barrow, op het noordelijkste puntje van Alaska. Het is een desolate
plek: door de ligging staat er een gure wind, en is het meestal bewolkt. Barrow ligt boven de poolcirkel en dus komt de zon twee maanden per jaar niet op. Geen wonder dat er geen drank mag worden verkocht in dit dorp. We zijn hier voor een reportage over de traditionele walvisjacht door de plaatselijke Inupiat, maar door wind en sneeuwbuien is de jacht nog niet succesvol geweest. Zoals dat gaat met eilanders zijn de mensen hier vriendelijk, maar stug. We slijten de dagen met het verkennen van
de wegen rond Barrow, die allemaal na een paar kilometer stranden. Uit arren moede hebben wij gisteren aan het eind van een van de wegen een thermoskan met koffie leeggedronken,turend over de toendra, luisterend naar het enige radiostation. De presentator riep uit: ‘Als je zit te luisteren, bel dan alsjeblieft. Dan weet ik dat ik dit niet voor niets doe’. Daarom was ik opgetogen toen ik een kadowinkel vond in de IJsbeerstraat, om de hoek van het hotel. De winkel heette La Bamba. Buiten in de sneeuw stond een plastic hertje, omringd met kerstverlichting (hier toepasselijk voor elk seizoen, en elk moment van de dag). Een oase van gezelligheid, La Bamba!
Bij binnenkomst kwam de warmte mij tegemoet. Er scharrelde een vrouwtje uit een soort
huiskamer ernaast. Ze zei geen ‘Hi, how are you’, zoals de rest van Amerika, maar dat vonnd ik wel verfrissend. Ze vertelde kortaf dat de winkel niet bedoeld was voor toeristen. Het plaatselijke museum, die had een kadogedeelte, daar moest ik maar naartoe. Ik zei dat ik zelf wel kon bepalen wat ik wel of niet wilde kopen en pakte zogenaamd geïnteresseerd een paar balletschoentjes met glitters, maat 36. De vrouw scharrelde weer weg, en ik probeerde te begrijpen waarom ze zo onvriendelijk was. Achter in de winkel was een kleine nis met nog meer spullen. Er lagen T-shirts, vlaggen en stickers met teksten als Eskimo power en Inupiat pride. Vervang Eskimo en Inupiat door white, en je was in Alabama. Uit het niets stond het vrouwtje
achter mij en fluisterde: ‘Volgens mij moet je nu echt gaan’. Ik liep naar buiten, en keek naar het hertje met de kersverlichting. Een nieuwe sneeuwbui begon.

In: Het Parool 16/10/10

Mohikaan

Bezoeken aan gesloten musea zijn vaak de leukste. Een Mexicaanse taxichauffeur had mij en fotograaf Jeroen Toirkens afgezet bij een museum in een bos bij Anchorage, de grootste stad van Alaska. Ik had een vierliterkarton met wijn in mijn hand. Na ons bezoek aan het museum zouden we doorvliegen naar Barrow in het hoge noorden waar we een paar weken doorbrengen met de Inupiat, waarover later meer. Barrow is een ‘wet community’, wat inhoudt dat er geen alcohol wordt verkocht, maar dat je het wel mag nuttigen.

Net toen de taxi weggereden was zagen wij het bordje met ‘closed’ op het museum hangen. We hingen wat rond en kwamen twee reusachtige elanden tegen die rustig stonden te grazen bij de gehandicapteningang. Eerder die dag vertelde een vrouw in Anchorage dat zij geen vogelvoer meer in haar tuin zette omdat er telkens beren op af kwamen. Ze woonde nota bene in het centrum van de stad. Mochten we een beer tegenkomen moesten wij volgens haar absoluut niet wegrennen, en zo luid mogelijk praten. Als de beer nog dichterbij kwam moest je in de foetushouding gaan liggen.

Kijkend naar de wildernis met de beer in het achterhoofd (misschien houden beren wel van goedkope wijn uit een doos) probeerden wij toch maar de deur van het museum. De deur ging open. Er zat een mooi meisje met een amulet bij de ingang. Ze vertelde dat ze uit een indianenreservaat in Nevada kwam en hier een congres organiseerde voor alle Amerikaanse Indianen en Inuit. Alsof ze ons had verwacht gebaarde ze ons naar de zaal, waar een soort van vredessessie aan de gang was. Duidelijker kan ik het niet maken, want het was niet duidelijk. Hier en daar zat een verwarde blanke met een mal hoedje op die dacht een Indiaan te zijn. Het had iets intens verdrietigs, dit samenraapsel van mensen, van de Inupiat tot aan de Hopi in het zuiden van Amerika, die de moordpartijen en ziektekiemen van de nieuwe bewoners hadden overleefd, en nu opgescheept zaten met wat verwarde blanken met rare hoedjes op.

Na de sessie deelden wij een taxi met een indiaan uit Wisconsin. Hij gaf ons zijn visitekaartje waarop stond: Mohikaan. ‘En niet de laatste!,’ zei hij erbij. Hij vertelde dat er wel degelijk nog Mohikanen bestonden. Ze zijn in de negentiende eeuw overgeplaatst naar een reservaat in Wisconsin. Bij het verlaten van de taxi zei hij: ‘Vertel ze maar in Holland dat er nog vijftienhonderd Mohikanen zijn!’

In: Parool 09/10/2010

Verzoek

Mensen veranderen niet. Kleine dingen kunnen veranderen, bijvoorbeeld dat je je sokken niet meer bij het bed laat slingeren of vis lekker gaat vinden. Maar vanaf je achttiende blijf je min of meer hetzelfde, volgens mij. Daarom schrok ik zo toen ik een Facebook-verzoek van schoolvriend David kreeg.

David is een Figuur, en dat bedoel ik op een positieve manier. Hij is geniaal en idioot tegelijk, een verstrooide professor. Voor zijn eindexamen wiskunde B haalde hij een onmogelijke 10,3. De opgaven waren te moeilijk, dus iedereen kreeg er drietiende punt bij (ik had een 2,3). In alle exacte vakken was hij ontzettend goed, en hij doet nu iets onnavolgbaars op de universiteit.

Om zijn emails te ontcijferen heb ik altijd meerdere woordenboeken en encyclopedieën nodig. De mails zelf zijn gelardeerd met Latijnse spreuken en citaten van Goethe en/of Nietzsche. In de aanhef staat altijd ‘Jelle esq.’ (voor de geïnteresseerde : het is een soort van eretitel afkomstig van esquire) Sinds een paar jaar heeft hij wel een mobiele telefoon maar die staat altijd uit, zoals bejaarden ook altijd doen.

En zoals dat gaat met genieën is hij ook verstrooid. David was niet op de hoogte van aardse zaken als koken; toen wij nog studeerden belde hij mij eens op met een probleem. Een meisje zou bij hem thuis komen eten, wat te doen? Ik adviseerde hem naar Renzo’s te fietsen, saus op te warmen, pasta in pan met water te doen en klaar. De volgende dag belde hij mij op. De date was niet helemaal vlekkeloos verlopen, de spaghetti smaakte wat raar. Wat bleek: hij had, zoals ik hem had opgedragen de verse spaghetti in een pan met water gedaan, maar de pan nooit op het vuur gezet.

Daarom was mijn schok groot toen ik zijn facebookverzoek kreeg. Zou David de stoffige academische wereld hebben verruild voor de aardse wereld van facebook en elke dag nutteloze updates neerzetten, en video’s van babys die dansen op dubstep? Angstig bekeek ik zijn pagina.

Als profielfoto had hij het verzameld werk van WF Hermans. Zijn fotoalbum bestond uit de grafsteen van Gerard Reve en een gedicht van Slauerhoff. Zomaar een statusupdate: ‘En als kool de geit niet waard is, komt het er maar op aan dat de openingszin de lezer als een pistoolschot in de oren klinkt, hetwelk niet in de laatste plaats in casu dezes opgeld doet’.

Het verstrooide is ook niet verdwenen. Vandaag meldt hij dat hij bij het pinnen 70 euro bij de pinautomaat heeft ‘laten liggen’. Quod erat demonstrandum.

In: Parool (2/10/2010)