Jelle Brandt Corstius – wedt op de verkeerde haan

Ik houd niet van gokken. Ik snap het niet. Je weet dat je netto een kleinere kans hebt dan het casino, anders zouden ze niet bestaan. Dus eigenlijk betaal je voor de spanning van het gokken. Maar ik voel die spanning niet, en dan levert gokken al helemaal niets op.

Maar toen ik op mijn negentiende met mijn vader dwars door Amerika reed, en wij door Las Vegas gingen vonden we het toch raar om niet te gokken. We liepen het eerste beste casino binnen, zetten vijftig dollar op rood, het balletje viel op zwart en we konden weer door.

Sinds die tijd heb ik niet meer gegokt. Tot ik belandde in een Balinees hanengevecht. Het begon allemaal nog zo onschuldig, de dag ervoor, toen ik een groepje mannen gehurkt en vredig langs de weg zag zitten met elk een haan in zijn handen, de een nog mooier dan de andere (de hanen). Een van de mannen sprak Engels en vertelde dat zij de hanen voorbereidde op een hanengevecht. Zijn eigen haan trainde hij al drie jaar, en zou morgen vechten. Hij nodigde ons uit om een kijkje te komen nemen, hij vertelde over een plek naast een tempel in een dorp in de buurt van Ubud, in het hart van Bali. Ik hoopte dat ik alles goed verstond; de zon ging op dat moment onder en de hanen produceerden een kakelkakafonie.

Lang voordat wij de tempel bereikten hoorden wij het gejoel van mannen en vochten wij ons door een lange rij scooters. Ongeveer duizend mannen uit de desa zaten rond een soort arena waar het zo heet was dat het mij verbaasde dat de kippen niet vanzelf van hun stokje gingen. Want naïef als ik was dacht ik dat de kippen wat naar elkaar zouden tokkelen, misschien een beetje pikken en dat is dan dat.

Mooi niet; de arena was bedekt met bloed, kippenveren en honderden uitgedrukte kretek-sigaretten. Het bleek dat de hanen voor het gevecht een vlijmscherp mesje aan hun poot gebonden krijgen. Het is een strijd op leven en dood. Het gejoel van de mannen sloeg niet op het gevecht van de hanen, maar om onderling weddenschappen te maken over welke haan wint.


De man van de dag ervoor kwam trots naar mij toe, en vroeg of ik op zijn haan ging wedden. Natuurlijk, zei ik. Ik stond naast een GSM-mast bouwer uit Java, die met net zoveel verbazing naar het tafereel stond te kijken. Natuurlijk had ik op de verkeerde haan gewed, hij was binnen enkele seconden dood. De GSM-mast bouwer en ik hadden genoeg gezien. In de tempel ernaast was de priester verwikkeld in ceremonie, en leek het gejoel niet te horen. Voor de tempel hakte de man, die drie jaar elke dag zijn haan had getraind, zonder enige emoties de kop van zijn haan, plukte hem, overhandigde het vlees aan de winnaar en stapte op zijn brommer.

In: Trouw 26/01/10 (Van Moskou tot Medan)

Jelle Brandt Corstius – luistert naar zijn Balinese chauffeur

“Ik groeide op in een dorp aan de voet van een vulkaan, niet ver van een plek waar jouw voorouders in 1906 duizend ongewapende Balinezen hebben neergemaaid. De grond is er vruchtbaar, maar in de afgelopen eeuw is de vulkaan drie keer uitgebarsten. Een keertje, toen ik nog niet was geboren was de uitbarsting zo heftig dat mijn ouders tien dagen in de duisternis zaten vanwege de aswolken. Ze wonen er nog steeds, omdat de grond er zo vruchtbaar is. De cyclus van het zaaien tot aan de oogst is maar honderd dagen. Dat geldt voor gewone rijst; rode rijst doet er langer over te groeien maar is lekkerder en heeft meer voedingswaarde.

Het is de plicht van een rijstwerker dat zijn sawa niet alleen rijst opbrengt, maar dat het er ook mooi uitziet. Je moet offers geven aan de goede goden, maar ook aan de kwade geesten. Zo worden de kwade geesten niet agressief en kunnen ze je zelfs beschermen. De offers verschillen per god: als de eerste rijst tevoorschijn komt offeren wij krab aan de rijstgod. We eten het zelf ook want krab is lekker. De vruchtbaarheidsgodin van de landbouw heeft een groter offer nodig. Zoals een koe, of een hond. Wij letten er altijd op dat toeristen dit niet zien, want die zouden er van schrikken.

Mijn hele jeugd heb ik op de rijstvelden gewerkt. Het werk is op verschillende manieren zwaar. Je moet bukken, op het ploegen na moet alles met de hand, in de modder zit ongedierte. Maar het is vooral erg eenzaam werk. Hoor je die snerpende krekel? Altijd als ik dit geluid hoor moet ik denken aan de eenzaamheid van de sawa, waar het barst van de krekels. Ik wilde zo graag naar de grote stad.

En nu woon ik er, en ik zie mijn zoon in de stad opgroeien, en wil ik eigenlijk dat hij op de rijstvelden opgroeit waar de lucht schoner is en de mensen aardiger zijn. Waar hij leert wat hard werken is. Hij kan geen papaja van een nangka onderscheiden! De Balinese regering heeft speciale programma’s om kinderen weer voor het platteland te interesseren, met uitwisselingsprogramma’s waar stadskinderen leren een paard te beteugelen of een os voor een ploeg te spannen. Maar de grond waar de rijstvelden op staan levert meer op als je er een hotel op zet. Ik denk dat er over geen twintig jaar geen sawa meer op Bali zal zijn, en wij rijst moeten importeren. Dat zou toch belachelijk zijn?”

In: Trouw 19/01/2010

Jelle Brandt Corstius – moet snel improviseren

Zijn naam was Patel en kwam uit India. Nou ja: zijn naam was helemaal niet Patel, en er zijn misschien nog een miljoen Indiërs met zijn naam, maar ik heb hem al een keer in de problemen gebracht dus noem ik hem gewoon Patel. Ik ontmoette Patel in Ku Da Ta, een schitterende club op Bali, direct gelegen aan een van de mooiste stukken strand van het eiland. Na een week afzien op de Molukken vond ik dat ik dat wel had verdiend.

Die middag hadden op datzelfde strand een groep Balinezen in traditionele kleding verzameld en hadden zich neergevleid tussen zonnenbadende westerse toeristen die verbaasd opkeken. Een oudere Balinees vertelde dat het een genezings-ceremonie was en nodigde mij, met een blik op mijn corset, uit om erbij te komen zitten. Er werd veel met belletjes gerinkeld en op een bepaald moment haalde een priester een natte kwast over mijn voorhoofd.

Mijn rug had in ieder geval een goede avond, wat ik zat al enige tijd zonder veel pijn met de Indiër te praten op een ongemakkelijk zittende loungebank. Met Patel keek ik uit over de restanten van offerschaaltjes gemaakt van kokosbladeren. Honden woelden erdoorheen, verlicht door een glorieuze zonsondergang. Patel vertelde dat het hindoeïsme op Bali compleet anders was dan in India, maar hij voelde zich hier als thuis. Bali was voor hem een soort ontsnappingsoord van Jakarta, waar hij werkte bij een groot Indiaas bedrijf. Wij praatten over India als nieuwe supermacht en ceremonies en kolonialisme. Gevleid aan de zijde van Patel zat een jong en knap meisje dat zowel Indiaas als Balinees had kunnen zijn. Patel introduceerde haar niet, en ze bleef dromerig naar de zee kijken, dus nam ik niet de moeite haar aan te spreken. Misschien was ze wel bezig met een soort van privé-ceremonie.

De volgende dag, op zoek naar baby batikkleertjes in een winkelcentrum, zat Patel op de trap voor de ingang. Toen ik hem groette keek hij verward en vroeg „ Kennen wij elkaar?“ Toen pas drong het tot mij door wie er nog meer op het trappetje zaten: een opa, een oma, twee kinderen en een vrouw in traditioneel Indiaas gewaad. De vrouw keek mij nu ook vragend aan. Ik zei: „Sorry, ik vergis mij. U heeft een dubbelganger rondlopen op dit eiland.“ De familie moest hard lachen. Toen ik de trap op liep zag ik uit mijn ooghoek dat zijn vrouw een arm om Patel sloeg.

Jelle Brandt Corstius – slaapt door een Moluks feest

Ik had van de dokter het advies gekregen rustig aan te doen in de maanden na de breuk van mijn ruggenwervel. Het probleem was dat ik een week voor het ongeluk met een vriend een ticket naar Indonesië had gekocht. Op de een of andere manier moest ik dus rustig aandoen combineren met reizen naar Indonesië, wat volstrekt tegen mijn natuur is.

Ondanks alle goede voornemens belandde ik toch op een heftig op en neer bewegende speedboat van het eiland Ambon naar het eiland Saparua in de Molukken. Kennelijk is de lust om te reizen niet een knopje dat je zomaar om kan zetten.

We hadden niet de moeite genomen om te reserveren, omdat hotels in Indonesië – op Bali na – over het algemeen alleen maar worden bevolkt door receptionisten en een enkele mier in een spinnenweb. Niet op Saparua, waar uitgerekend op die dag een reünie was van de Molukse diaspora. In Fort Duurstede kwamen wij een Molukker tegen die zo gehuld was in zijn sarong dat alleen zijn gezicht zichtbaar was. Verrassend genoeg heette hij Frits. Zoals ik het begreep wist hij nog wel een slaapplekkje op de noordkust van het eiland. Met Frits, en zijn vriend Kees reden we achterop de brommer dwars door het eiland, waar een sterke geur van kruiden hing. Het was alsof we door ontbijtkoek reden. De geur was afkomstig van de kruidnagelsdie die nonchalant langs de kant van de weg te drogen lagen. Vroeger waren die kruidnagels hun gewicht in goud waard, wat de bron was van zoveel rijdom voor de Nederlanders en ellende voor de Molukkers.

Frits en Kees leidden ons door de jungle op een paadje dat alleen voor hen zichtbaar was. Na een half uur toonde Frits ons met een weids gebaar klein schitterend strandje. Dat kwam mooi uit, want ik stond op het punt om uit elkaar te vallen. Maar behalve het mooie strandje was er geen hotel, of wat voor bebouwing dan ook. Dus gingen we weer terug over het eiland. De kruidnagelen, die op de heenweg nog groen waren, waren in de tussentijd donker gekleurd door de meedogenloze Molukse zon. Vraag mij niet hoe, maar we vonden een slaapplek. Buiten was de Molukse reünie vol aan de gang, maar ik had de kracht niet om mij in het feest te werpen. Kennelijk is er wel degelijk een knopje om de reislust uit te zetten. Ik viel in slaap met het meerstemmig gezang van mannen en gitaren, dat tegelijk mooi en triest klonk.

Jelle Brandt Corstius – gaat Moskou missen

Wakker worden door het geluid van een sneeuwschepper. De onderbuurman die, nadat ik een week lang de kraan open heb laten staan en daardoor zijn plafond is ingestort in zijn badkamer zegt dat ik niets hoef te betalen.

De mannen in pakken in de ochtendspits van de metro, met een halve liter bier in hun hand geklemd. De boulevard om de Schone Vijvers, die in de zomer verandert in een groot openbaar café. In de winter trouwens ook. Hypnotiserend gezang en wierrook die dwarrelt uit zomaar een kerk in een verlaten straat op een zondag.

De vrouw onderaan de roltrap in de metro met het bordje ‘ik geef geen inlichtingen’. De meisjes die op hun hoge hakken over het gladde ijs trippelen. De verjaardagen die beschaafd op een zondagmiddag beginnen, maar er komt een gitaar bij, iemand gaat drank halen en voor je het weet is het maandagochtend en is iedereen er nog.

De Tsjetsjeense met haar poëzie. De Boerjatische met haar humor. De Moskouse aan wie ik altijd moet denken als ik Gordon Brown zie (ze hebben hetzelfde lachje). Het meisje uit Volgograd voor wie ik ooit naar Rusland kwam.

Zwemmen in de Moskou-rivier (stroomopwaarts, welteverstaan), en daarna met z’n allen een vuurtje stoken in het bos en er vlees op bakken. Mijn Russische contact bij het ministerie van buitenlandse zaken die, nadat ze heeft gehoord dat ik mijn rug heb gebroken, het adres en telefoonnummer geeft van een winkel waar je speciale schoenen kan kopen waar je niet mee uitglijdt geheten ‘katjes’. De boekenwinkel om de hoek waar je om drie uur ’s nachts terecht kan.

De Coffee Bean, waar het maken van een cappuccino wordt gezien als een kunst, en waar zij met een tandenstoker kleine figuurtjes in de cacao maken. In een zigeunertaxi stappen en onveranderlijk in een urenlange file terechtkomen en de onveranderlijk wonderlijke levensgeschiedenis aanhoren van de chauffeur die bijvoorbeeld in Syrië is geboren en in Siberië door twee mannen is opgevoed.

De huisbaas die bij het weggaan moet huilen omdat het voelt alsof zij een zoon verliest, en mij een schitterend doosje met iconen geeft met de stille hoop dat ik toch maar eens in God ga geloven.

Een vrachtwagen komt zo mijn spullen ophalen, het is tijd voor nieuwe plekken in de wereld. Ik heb nu bijna vijf jaar in Moskou gewoond, het is goed zo. En ik kom hier natuurlijk nog vaak genoeg, maar dan zal het als bezoeker zijn, en niet als bewoner van de stad die nooit slaapt.